View allAll Photos Tagged DRing
The history of the Caribby-islands
London :Printed by J.M. for Thomas Dring and John Starkey ...,1666.
I made this for MOI and I'm not ashamed! Absolutely love it! It's 1 1/2" wide, includes one layer of interfacing (though it could've used more but I was concerned about turning it), and is double-sided. One side is mostly bikes with a little "peak" of dots, vice versa for the other side.
Inspired by Colleen's lovely belt here: www.flickr.com/photos/bcharmer/4408636155/in/faves-911239...
This passport photo of a Dring’s Slender Litter Frog (Leptolalax dringi) shows the most beautiful frog eyes that I have ever seen. This frog was found in Crocker Range NP (Sabah, Borneo).
#amphibians #amphibian #borneo #frog #frogs #sabah
Thank you for looking, and please feel free to share!
© Ronald Zimmerman Photography
More: ronaldzimmerman.nl/
Feel free to follow/Like my Facebook Page: www.facebook.com/ronaldzimmermanphotography
Feel free to follow me on Twitter: @RZPhotoNL
Manchmal liegt schlecht und schlecht sehr nahe beeinander.
Hier beschweren wir uns über den nächsten Regen - oder halt den andauernden - und woanders freuen wir uns über Sonne... nur das es halt immer sonnig ist, und eigentlich seit langen Zeiten dürre herrscht und Wasser dringen nötig ist.
Ich muss nurnoch herausfinden wie ich das Wasser aus dem Garten nach Californien bringe...
So if someone has an idea - how the get the water from my garden to california... don't hesitate...
‘Wat niet weet, wat wel deert."
Geschiedenis wordt geschreven van het verleden naar het heden.
Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd (Kierkegaard).
Ook mythes zijn onderhevig aan evolutie, aan de ontwikkeling die mensen doormaken.
Twee volken zijn vrij, maar wij wachten in ons land nog steeds op de bevrijdende gedachte dat het goed is zoals het is. Wie echt vrij wil zijn verdraagt de pijn van de gemaakte fouten.
Luitenant Kolonel T.J.A. Boers gesneuveld. De Gelderlander van 10-12-1947:
studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=302033920
oorlogsgravenstichting.nl/persoon/16209/theodorus-johanne...
"Een bataljon ging uiteen. Achter de groene kustlijn van Java gingen de herinneringen te loor. Het beeld van de commandant voer mede. Een illusie bleef". Algemeen Handelsblad van 1-7-1948:
www.flickr.com/photos/148859204@N07/40727686075/in/datepo...
Mijn grootvader Th.J.A. Boers, geb. Makassar 21-1-1890, ovl. Tjiamis 6-12-1947, als jonge jongen:
www.flickr.com/photos/148859204@N07/33841513121/
Op 12-9-1907 werd hij Cadet op de Cadettenschool. Van 12-11-1921 tot 7-10-1933 verbleef hij met zijn gezin in Nederlands-Indië:
www.flickr.com/photos/148859204@N07/33214587803/
Hij werd tweede luitenant op 19-7-1913 en reserve majoor op 18-2-1946.
Vertrekt op 12-11-1921 met Stoomschip "Grotius" naar Ned.-Indië; retour op 7-10-1933 met Motorschip "Marnix van St. Aldegonde".
In 1928 was hij inspecteur Opium Regie van het Ministerie van Financiën te Batavia ("Wettig Opium, 350 jaar Nederlandse Opiumhandel in de Indische Archipel" Ewald Vanvugt, Haarlem 1985).
Zijn zwager Cornelis van Aart (1880-1908) sneuvelde op Ceram: www.flickr.com/photos/148859204@N07/33522122610/
Dienststaat Th.J.A. Boers bij het Nationaal Archief:
proxy.handle.net/10648/6488f4fa-a361-102d-86a4-0050569c51dd
"Mijn opdracht de spoorbaan te bezetten vanaf de spoorbrug tot aan het station heb ik toen uitgevoerd". Kapitein Th.J.A. Boers (1890-1947):
hetutrechtsarchief.nl/beeldmateriaal/detail/11d4b1cc-89a5...
Gevechtsbericht 13 mei 1940 van kapitein Th.J.A. Boers
Commandant I-11 Grens Bataljon:
"Op 13 Mei 1940 was 11 Grens Bataljon (G.B.) in reserve opgesteld ongeveer 1 kilometer West van Rhenen op een weg nabij kilometerpaal 10,7 en in Noord-Noordoostelijke richting loopende.
Te ongeveer 13.00 uur, terwijl ik met den Bataljonscommandant stond te praten, kwam de kapitein-adjudant Rompe van 24 R.I. naar ons toe en zeide dat Commandant 24 R.I. met 8 mitrailleurs en ongeveer 50 manschappen de spoorbaan Oost van Rhenen had bezet.
"Majoor gaat U toch voorwaarts, Rhenen zelf is niet bezet door de vijand", waren de woorden van dezen kapitein-adjudant.
De Bataljonscommandant nam het besluit om de spoorbaan Oost van Rhenen te gaan bezetten te weten: 1-11 G.B. vanaf spoorbrug tot het station, 2-11 G.B. Noord van het station, frontbreedte 300 meter.
Ik gaf het bevel tot voorwaarts gaan;
Voordat wij op marsch gingen en ook tijdens den marsch passeerden ons vele infanterieonderdeelen in paniekstemming. In Rhenen stonden zeer vele huizen in brand en nauwelijks was het hoofd van mijn hoofdmacht de kerk gepasseerd, of wij werden vanuit de toren beschoten. Niettegenstaande de groote hitte en het schieten van uit den toren, bleef de orde en rust in de compagnie gehandhaafd.
De hoofdstraat in Rhenen kon niet verder gevolgd worden vanwege de in brand staande huizen. Ik gaf den s.m.i. Leyssen, sectiecommandant 2e sectie bevel om Zuid van Rhenen een doorgang te zoeken, terwijl ik zelf met de commandogroep en sectie zware mitrailleurs iets Zuidelijk voorwaarts ging en wij kwamen in een zijstraat evenwijdig loopende met den hoofdweg en dekten ons op ongeveer 75 meter afstand van het station. Daar werden wij onder vuur genomen vanuit het station. Wij dachten aanvankelijk dat eigen menschen ons onder vuur namen (Commandant 24 R.I. met zijn manschappen).
Later werden wij onder vuur genomen door 6 zeer laag vliegende vliegtuigen. Hoewel ik minuten lang door mijn kijker keek kon ik in het stationsgebouw geen vijand ontdekken en toch werd er op ons gevuurd.
Den s.m.i. Van Reen (mijn sergeant-toegevoegd) gaf ik de opdracht naar achteren te gaan om de rest van mijn compagnie het bevel over te brengen om Zuidoost van Rhenen voorwaarts te gaan naar de spoorbaan.
Intusschen werden twee manschappen getroffen en meende luitenant Vermeulen (Sectiecommandant zware mitrailleurs) en ook s.m.i. Van Reen dat ik eveneens gesneuveld was. S.m.i. Van Reen heeft mijn opdracht uitgevoerd, luitenant Vermeulen is alleen teruggegaan om een Officier van Gezondheid en hospitaalpersoneel te zoeken. In Rhenen en West van Rhenen tot nabij Amerongen was echter geen dokter, noch hospitaalpersoneel te bespeuren.
Na korten tijd ben ik met mijn commandogroep en sectie zware mitrailleurs ongeveer 100 meter achteruit gegaan en toen in Zuidelijke richting. Nabij de rivier trof ik de 1e, 2e, deelen van 3e Q, 3e en 4e sectie aan en zijn wij voorwaarts gegaan tot aan de spoorbaan. Mijn opdracht de spoorbaan te bezetten vanaf de spoorbrug tot aan het station heb ik toen uitgevoerd, terwijl ik de 3e sectie onder vaandrig Eykelhof de opdracht gaf onder de spoorbrug door naar den anderen kant, dus Oost van de spoorbaan te gaan en den vijand te verdrijven.
De Duitschers hadden zich opgesteld in het bedekte gedeelte Oost van de spoorbaan en verder achter de huizen en openden het vuur op de 3e sectie. De 3e sectie heeft zich nabij de spoorbrug opgesteld en van daaruit het vijandelijk vuur beantwoord.
De dienstplichtige Peters van de zware mitrailleurs heb ik opdracht gegeven om verband op te nemen met de 2e compagnie. Deze dienstplichtige heeft de kapitein Hoogerland, Compagniescommandant van 2-11 G.B. niet kunnen vinden, wel trof hij aan een door een ander onderdeel achtergelaten zware mitrailleur met veel munitie. Op dat moment kwam daar (het was op de hoofdweg en ongeveer 50 meter van het station) sergeant Tielen van de pag. Samen hebben zij de zware mitrailleur naar het station gedragen, het stuk opgesteld en vanuit een der ramen den vijand krachtdadig onder vuur genomen. Toen de compagnie terugtrok hebben zij doorgevuurd totdat de compagnie een grooten afstand had bereikt.
Intusschen heb ik aan de spoorbaan geen Commandant 24 R.I. met 8 mitrailleurs en ongeveer 50 manschappen aangetroffen. Noord van mij was niet bezet, terwijl daar 2-11 G.B. had moeten zijn. Ik heb nogmaals verband laten opnemen met den Bataljonscommandant en 2e compagnie doch alles was verdwenen en tot ver West van Rhenen was geen militair te zien.
Mijn compagnie is toen teruggegaan onder vijandelijk artillerievuur en de granaten vielen vrij dicht bij mijn troep. Er ontstond een kleine paniekstemming en heb ik toen enkele minuten met de compagnie geëxerceerd. Direct was de orde en de rust hersteld en heb ik met een achter sectie de terugtocht aanvaard, terwijl de secties met een afstand van 100 meter achter elkaar marcheerden.
Nabij Elst heb ik mij bij den Bataljonscommandant gemeld".
Leeuwen, 26 Juni 1940.
De Kapitein,
(get.) Th.J.A. Boers.
Commandant 11 G.B.
N. 208 P
1-7-1940
De Majoor,
(get.) Bender.
www.grebbeberg.nl/index.php?page=gevechtsbericht-13-mei-1...
Verslag van majoor W.G. Bender, Commandant 11e Grensbataljon. Verslag van de gevechtshandelingen van 11 G.B. in het tijdvak van 12-15 Mei 1940:
www.grebbeberg.nl/index.php?page=verslag-van-majoor-w-g-b...
W.G. Bender is Willem Gerardus Bender, geb. Zutphen 24-8-1888, ovl. Nijmegen 1-2-1961, gehuwd met Elise Louise Anna van der Grinten, geb. Geertruidenberg 26-5-1890, ovl. Nijmegen 18-11-1969, dochter van Luitenant-Generaal der Infanterie Antoon Jan Willen van der Grinten, geb. Venlo 29-2-1864, ovl. Velp (Rheden) 29-5-1944, oud 80 jaar, zoon van Lodewijk Theodor Adriaan (Louis) van der Grinten (1831-1895), apotheker in Venlo, wegbereider van het bedrijf Océ-van der Grinten.
Theodorus Johannes Alexander Boers was gehuwd met Marie Josephine van der Grinten, geb. ‘s-Gravenhage 30-1-1895, ovl. Delft 15-11-1985, dochter van Luitenant-Generaal der Infanterie Antoon Jan Willen van der Grinten.
“Van boterkleursel naar kopieersystemen; de ontstaansgeschiedenis van Océ-van der Grinten, 1877-1956”, onder redactie van Prof.Dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt; Leiden 1992.
www.grebbeberg.nl/index.php?page=verslag-van-majoor-w-g-b...
Op 14 mei 1940 is Boers krijgsgevangen gemaakt in Fort Honswijk, gelegen aan de Lek, in Tull en 't Waal, gemeente Houten.
Bij Koninklijk Besluit van 13 November 1946 Nr. 10 is toegekend de “Bronzen Leeuw” aan den als zoodanig tijdelijk benoemden reserve-majoor der Infanterie van de Koninklijke Landmacht
T.J.A. Boers.
Wegens:
“Heeft zich door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden in den strijd tegenover den vijand onderscheiden, door op den vroegen morgen van 10 Mei 1940 onverschrokken en op bezielende wijze zijn compagnie, die in front en op de opengevallen flank door den, over het Maas/Waalkanaal bij Hatert doorgedrongen, vijand werd bedreigd, aan te voeren; daarbij het verloren terrein en zelfs de door een neven-onderdeel prijsgegeven kazematten opnieuw te bezetten en den vijand op zijn flank in bedwang te houden, totdat hij in den namiddag van dien dag op bevel moest terugtrekken; voorts door in den namiddag van 13 Mei, nadat Rhenen reeds door de eigen onderdeelen was verlaten en door den vijand bezet, de brandende stad aan het hoofd van zijn, door voorafgaande nachtmarschen zeer vermoeide compagnie, ondanks van verschillende zijden ontvangen vuur, vastberaden en opnieuw binnen te rukken en, in een zwaar gevecht, daarbij bestookt door vliegtuigen, door te dringen tot aan en voorbij den spoorbaan en de spoorbrug over den Neder-Rijn Oostelijk van deze plaats; tenslotte, nadat hem was gebleken, dat de aanvallen van nevenonderdeelen niet waren geslaagd en hij tegen de overmacht alleen stond, op zoodanige beleidvolle wijze terug te gaan, dat hij daardoor en door zijn persoonlijke inwerking zijn compagnie volkomen in de hand wist te houden, om den verderen terugmarsch van zijn bataljon als achterhoede te dekken”.
De strijd op 10 Mei 1940 bij Maas-Waalkanaal. De Gelderlander van 10 december 1947:
studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=302033920
www.grebbeberg.nl/index.php?page=bronzen-leeuw-onderschei...
Besluit van 6-8-1940 van generaal-majoor T. Carstens tot intrekking van het op 12-7-1940 verleende eervol ontslag van kapitein T.J.A. Boers.
Utrechts Volksblad: sociaal-democratisch dagblad van 9-8-1940: resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010940048:mpeg21:a0220
Generaal-Majoor Nicolaas Theodorus Carstens, geb. Groningen 4-1-1886, ovl. Neubrandenburg 4-4-1945, was de Commandant van het Ie Legerkorps van 21-3-1940 tot 15-5-1940, en Hoofd van het Hoofdregelingsbureau der voormalige Nederlandse Weermacht en Hoofd van het Krijgsgeschiedkundig Instituut, van juli 1940 tot mei 1942.
In juli 1942 ging hij in krijgsgevangenschap (overleden).
Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 15 mei 1940 werd ook de Generale Staf en het Algemeen Hoofdkwartier (AHK) opgeheven. Op of rond 15 juli 1940 werd het Hoofdregelingsbureau ingesteld. Dit bureau kan worden gezien als rechtsopvolger van het AHK en stond onder leiding van generaal-majoor N.T. Carstens. Het bureau handelde de lopende zaken verder af.
Van 15-9-1940 tot 21-3-1940 was Th.J.A. Boers ingedeeld bij de Opbouwdienst (OD):
www.gahetna.nl/sites/default/files/bijlagen/oorlogsgids-v...
Per 12-1-1942 was kaptein Th.J.A. Boers als Inkoper Centrale Keukens in dienst van de Gemeente Nijmegen, tegen een loon van f. 36,75 per week.
Centrale Keukens in de Fort Kijk in de Potstraat 16 (in 1958 verbouwd tot Studentenkerk):
www.flickr.com/photos/148859204@N07/41323238502/in/datepo...
"Voor weinig geld een voedzaam maal":
studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2010260584
"De Centrale Keukens werken! Honderden Nijmegenaren aten stampot van andijvie". PGNC 21-4-1941:
studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2256075784
Bij zijn vrijlating uit krijgsgevangenschap in Duitsland (Ede 15-5-1942, Weert 1-6-1945) woonde Th.J.A. Boers aan de Surinameweg 6 in Nijmegen.
Hij zat gevangen in Langwasser Nürnberg, Stanislau, Neubrandenburg en Tittmonig.
Na terugkomst werd de integriteit van de officieren beoordeeld door de Commissie verantwoording krijgsgevangen officieren der KL. Dossiers inzake het verhoren, onderzoeken, beoordelen van en adviseren aan de minister inzake het al dan niet handhaven van militairen 1945-1946. Nationaal Archief, Collectie Zuiveringen (van Th.J.A. Boers: toegangsnummer 2.13.99, inv.nr. 250, dossier 1190: hdl.handle.net/10648/cf29f28c-88ba-4eaa-8ee8-c398e81f5ad2
Het gehele archief kent een zogenaamde B-beperking, wat onder meer inhoudt dat er uit dit archief geen reproducties mogen worden verstrekt.
"Het Spoor Terug". De afrekening 7: De Zuiveringen bij het leger, VPRO 21 februari 1988.
Nederlandse Militaire Krijgsgevangenen.
De groep officieren “mei 1942” (zie oproep 11-5-1942). Op 15 mei 1942 moesten de officieren op ‘groot verlof’ zich voor de jaarlijkse controle melden in de legerplaatsen Assen, Ede, Bussum, Breda en Roermond. In totaal meldden zich ongeveer 2.700 militairen. Sommigen hadden hun vrouw of vriendin meegenomen, die buiten wachtten totdat ze weer naar huis konden. Maar de officieren kregen een verklaring uitgereikt en werden in krijgsgevangenschap genomen en op de trein gezet met onbekende bestemming. Als reactie op verzetswerk van Nederlandse militairen had Adolf Hitler opdracht gegeven tot hun deportatie naar krijgsgevangenkampen in Duitsland.
Ze kwamen in diverse kampen terecht, zoals Stalag 371 Stanislau, Oflag XIII B Neurenberg-Langwasser en Oflag 67 Neu-Brandenburg. In Stanislau zat de grootste concentratie. [Oflag = officierskampen en Stalag = manschappenkampen] Een belangrijke groep potentiële tegenstanders was daarmee door de Duitsers onschadelijk gemaakt. De krijgsgevangen officieren kregen – beschermd door de Conventie van Genève – een redelijke verzorging, maar waren gedwongen tot nietsdoen – of het maken van ontsnappingsplannen:
www.museum19401945.nl/docs/Militaire-Krijgsgevangenen.pdf
Nederlandse militairen in Duitse krijgsgevangenschap 1940-1945:
krijgsgevangen.nl/verklaring-op-erewoord/
krijgsgevangen.nl/oflag-vii-d-tittmoning/
krijgsgevangen.nl/oflag-xiii-b-neurenberg-langwasser/
krijgsgevangen.nl/stalag-371-stanislau/
krijgsgevangen.nl/oflag-67-neubrandenburg/
Th.J.A. Boers zou lid zijn geweest van de Ordedienst (OD) en in het verzet hebben gezeten.
www.gahetna.nl/actueel/nieuws/2007/ordedienst-en-binnenla...
Collectie Ordedienst:
proxy.handle.net/10648/194a9d9f-0b6b-4d55-9e18-3bb174ad3779
Hij zou ook gevangen hebben gezeten in het Oranjehotel:
"De strijd op 10 Mei 1940 bij Maas-Waalkanaal. Bronzen Leeuw onderscheiding voor Luit. Kol. Th.J.A.Boers". De Gelderlander van 10-3-1947:
studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=302032636
"De Geschiedenis van de Ordedienst, mythe en werkelijkheid van een verzetsorganisatie", door Dr. J. W. M. Schulten; Sdu Uitgevers 1998 (ISBN9789012086332).
ilibrariana.wordpress.com/2016/03/21/processtukken-opgepa...
www.verzetsmuseum.org/museum/nl/tweede-wereldoorlog/begri...
Er is geen bewijs dat Th.J.A. Boers gevangen heeft gezeten in het Oranjehotel in Scheveningen. Wel schreef zijn (derde) vrouw Lotte M.M. Boers-Mullak in een brief van 26-5-1941 aan het Hoofd van het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie IIIa Afd. B, dat haar man door de "Duitsche Overheid in arrest is gesteld en zij had van de Opbouwdienst salaris ontvangen tot 1-7-1941". Zij verzocht om uitbetaling van de nonactiviteitsjaarwedde:
"Gedenkboek van het Oranje Hotel", door E.P. Weber; Uitgeverij Aspekt 2016 (ISBN 9789461536129).
"De vuurproef van het Grensbataljon. Belevenissen van het 1e Bataljon 26e Regiment Infanterie, tijdens den Nederlandsch-Duitschen oorlog van 10-15 mei 1940", door E.P. Weber, Reserve-Majoor der Infanterie b.d.; Van Loghum Slaterus, Arnhem MCMXLV.
www.grebbeberg.nl/index.php?mact=Search%2Ccntnt01%2Cdosea...
www.grebbeberg.nl/index.php?mact=Search%2Ccntnt01%2Cdosea...
De Bersiap-periode en de Politionele Acties in Nederlands-Indië:
www.defensie.nl/onderwerpen/tijdlijn-militaire-geschieden...
www.afscheidvanindie.nl/archieven-onderwerpen-bersiapperi...
niodbibliotheek.blogspot.nl/2014/05/de-slachtoffers-van-d...
"De politieke houding van de opeenvolgende kabinetten ten aanzien van de Indonesische kwestie kenmerkte zich door een onverenigbaar dilemma. Enerzijds wilde de
Nederlandse regering de koloniale relaties vernieuwen en anderzijds wilde het vast blijven houden aan de koloniale aspiraties. Dit dilemma is grotendeels te wijten aan het feit dat het koloniale gedachtegoed nog teveel verankerd zat in de Nederlandse samenleving". Bron: "De Vuile Oorlog. De politieke verantwoordelijkheid voor de oorlogsmisdaden in Nederlands-Indië 1945-1949" (de Pesing affaire van 15-4-1946 wordt uitgebreid behandeld), MA Thesis Internationale Betrekkingen in Historisch Perspectief, Universiteit Utrecht 15-1-2016. Docent: Dr. Remco Raben. Student: Monica Ceulen: dspace.library.uu.nl
Nederland is toe aan een synthese over de dekolonisatiepolitiek en de pijn die dit teweeg heeft gebracht.
Regering en Parlement zijn verantwoordelijk voor de dekolonisatie, hoe gebrekkig ook. Militairen zijn verantwoordelijk voor militaire zaken. Militairen moeten zelfs niet de schijn wekken dat zij politieke verantwoordelijkheden dragen.
Professionaliteit, inlevingsvermogen, wederzijds begrip en respect helpen.
Gerekend met ingang van 18-2-1946 is Th.J.A. Boers tijdelijk benoemd tot majoor voor de tijd dat hij als Hoofdofficier is toegevoegd aan een Regimentsstaf van de Lichte Infanterie
Bataljons in Indië bij Koninklijk Besluit no. 38 vanaf 24-4-1946.
Van Sub. Cie naar Staf 1-11 R.I. per 8-6-1946, vanaf 18-2-1946.
Hier eindigt de dienststaat van Th.J.A. Boers.
Sub Cie: Subsistenten Compagnie = eenheid, waarin militairen tijdelijk werden ondergebracht, ter nadere indeling.
Majoor Th.J.A. Boers nam het commando over 1-11 R.I. tussen 5 en 12 juli 1946 over van Majoor Baden (inf. KNIL) en de wnd. bat. commandant Kapitein Beltman. De troepen namen op 12 juli 1946 afscheid van Beltman; op die dag bestond het bataljon een jaar.
De inname en de zuivering van Tjiandjoer begon op 29-6-1946:
www.indie-1945-1950.nl/web/1-11ri.htm
Toen had hij in Bandung de bijnaam van "de bonte hond" (opgetekend uit de mond van zijn zoon).
Marinus Jacobus Baden, geb. Bergen op Zoom 28-12-1891, ging op 5-6-1945 in Duitsch Krijgsgevangenschap. Hij werd per 23-10-1945 uitgezonden als adviseur van 1-8 R.I. Hij werd per 25-2-1946 Commandant van 1-11 R.I. en benoemd tot Majoor. Per 5-7-1946 werd hij eervol ontslagen als Cdt 1-11 R.I. en geplaatst als Hoofd Personele Zaken D.C.O.
1-11 R.I. (Bataljon Margriet) is op 9-3-1946 met de S.S. "Aronda" in Tandjong Priok (Batavia) aangekomen, vanuit Malakka. Zij waren op 28-10-1945 vanuit Southampton vertrokken met het S.S. "Nieuw Amsterdam". Majoor Th.J.A. Boers zat ook op dit schip. Behalve het Bataljon Margriet waren ook 2-6 R.I., 1 R.J. en 1-8 R.I. aan boord.
"De Marsroute van 1-11 R.I.", door Piet Pothof; Naarden, 1995; Gedenkboek van het OVW-bataljon ‘Margriet'.
"Staphorster militairen in de tropen", door Jouk Huisman & Historische Vereniging Staphorst; Drukkerij Van der Perk b.v. 2005 (ISBN 9789077502181); Hendrik (Bert) Mulder is vol lof over de overste Boers, die als een vader was voor zijn jongens (blz. 140).
Woensdag 4 december '46:
"Het nieuws ging als een lopend vuur door het bataljon. Majoor Boers was bevorderd tot luitenant-kolonel. Zijn aanspreektitel was vanaf die dag 'overste', maar in
de wandelgangen bleef hij 'onze ouwe'. ledereen, van officier tot soldaat, beschouwde hem als de ware leider van het Margriet Bataljon". Hij werd op handen gedragen.
Op 19 mei 1946 werd er door 1-11 R.I. een zuivering gehouden bij Pesing-Tangerang, om acht vermiste kameraden op te sporen. Er bleek slechts één overlevende te zijn:
www.indie-1945-1950.nl/web/1-11ri.htm
"Tabé Java, Tabé Indië. De koloniale oorlog van mijn opa", door Ronald Nijboer; Harper Collins 2017 (ISBN 9789402727302).
"De Marsroute van 1-11 RI", door Piet Pothof; Naarden, 1995; Gedenkboek van het OVW-bataljon ‘Margriet’. Onder meer aandacht voor de bezetting van Tjiandjoer.
Piet Pothof schrijft: "Op 30 juni '47 kwamen de manschappen van 1-11 R.I. bijeen in de kantine, waar overste Boers een korte toespraak hield. Hij vertelde dat de Amerikaanse regering in een nota aan Soekarno voorstellen had gedaan voor een vredelievende oplossing van het conflict. De overste zag weinig heil in deze bemiddelingspoging. Hij beëindigde zijn toespraak met de woorden: "'We zijn er klaar voor om na het eerste bevel voorwaarts te gaan. Met andere woorden, de Generaal Spoor hoefde maar op een knop te drukken en de actie kon beginnen. Het wachten was nu op het antwoord van de Republikeinen" (blz. 105/106).
"Een zoektocht naar Jan de foerier. Een gewone Steenwijker in de Oost", door Inge Klumper-Eleveld; Steenwijk 2010 (ISBN: 978-90-815698-1-1).
Inge Klumper-Eleveld schrijft: "Op maandag 30 juni verzamelen alle manschappen van 1-11-RI zich om 11 uur in de kantine. Overste Boers spreekt de troepen toe. Amerika heeft de Republiek Indonesia precies op tijd een nota gestuurd waarin wordt gesteld dat Indonesië beter kan samenwerken met de Nederlanders. Er zijn op het hoofdkantoor van de W-Brigade al plannen gemaakt om het binnenland in te trekken en de vijand te overmeesteren om zo de bevolking te bevrijden. Voorlopig dus geen ‘voorwaarts’ omdat anders Amerika niet achter het Hollandse leger staat" (blz. 108).
Op 15-4-1946 had een grote zuivering van Pesing plaatsgevonden door compagnieën van 2-14 R.I. (Bataljon "Zeeland"), KNIL-troepen, en de Militaire Politie van het KNIL:
www.indie-1945-1950.nl/web/2-14ri.htm
Deze zuivering leidde tot de "affaire Pesing". De journaliste Bep Vuijk schreef er al op 4-5-1946 een verhaal over. Een kapitein van de U-brigade trad op als klokkenluider. Dit leidde tot vragen in de Tweede Kamer, en minister Dr. J.H.A. Logemann (1892-1969) gelastte een onderzoek:
www.parlement.com/id/vg09ll2y54uh/j_h_a_johann_logemann
De Commandant van 2-14 R.I. Bataljon "Zeeland", was Luitenant Kolonel J.J. van Oort.
De plaatsvervangend Bataljons-Commandant was Majoor P. de Kam.
"Ons groot avontuur. Bataljon "Zeeland". Ik worstel en kom boven. Met 2-14 R. I. Bataljon "Zeeland" naar Indië", door L. G. W. van de Vrande, M.S.C. Aalmoezenier; Drukkerij Missiehuis Tilburg, 1948.
2-14 R.I. is op 9-10-1945 met de S.S. "Alcantara" vanuit Liverpool vertrokken, en is op 13-11-1945 op Malakka aangekomen. Op 9-3-1946 is 2-14 R.I. in Tandjong-Priok (Batavia) aangekomen.
2-14 R.I. was ingedeeld bij U-brigade (B-divisie), onder commando van Kolonel J. Sluyter:
www.hetdepot.com/GB-zeeland.html
De U-brigade bestond bij de oprichting op Malakka uit de onderdelen 2-14 R.I., 1-8 R.I., 1 RJ en 1-11 R.I.:
indie-1945-1950.nl/web/ubrig.htm
2-14 R.I. bij de U-brigade: www.hetdepot.com/U-Brigade.html
Op 24-3-1946 nam Kapt. Fassaart met Inf. II Knil deel aan de bezetting van Depok. Andere plaatsen die werden bezet waren Pesing en Tjiteureup:
indie-1945-1950.nl/web/2-14ri.htm
"Bataljon Rudolph Fassaert, Wachtbataljon I, later 1-14 R.I. Zo genoemd naar de Zeeuwse verzetsstrijder Rudolph Fassaert, die door de Duitsers gevangen werd genomen en ter dood veroordeeld, maar ontsnapte uit de gevangenis van Middelburg. Fassaert ging met zijn compagnie over naar 2-14 R.I. toen dat gereed werd gemaakt voor vertrek naar Indië":
Op 29-6-1946 werd de stad Cianjur ingenomen en vervolgens vonden gedurende 14 dagen zuiveringen in de omgeving van de stad plaats. Er werd standrecht toegepast in opdracht van de divisiecommandant, zonder dat hij daarvoor toestemming had gevraagd van de legercommandant, generaal Spoor. Zie blz. 672-673 van "De brandende kampongs van generaal Spoor". De auteur Rémy Limpach schrijft dat niet duidelijk is wat de omvang van de excessen precies is, omdat archiefstukken ontbreken.
Het hele bataljon 1-11 R.I. is op 25-6-1946 per vliegtuig naar Tjimahi overgebracht voor de actie Tjiandjoer (Cianjur). Bij de inname werden drie compagnieën ingezet. In de daaropvolgende dagen werden 26 patrouilles gelopen.
Bij de inname van Cianjur is ook 2-14 R.I. ingezet:
www.indie-1945-1950.nl/web/2-4ri.htm
Bij de gevechten in Cianjur en de daarop volgende dagen in de omgeving van de stad, werden in totaal 84 tegenstanders gedood en 88 gevangen genomen. Niet duidelijk is hoeveel tegenstanders zijn geëxecuteerd of in de strijd zijn gedood.
Bij het gebrek aan bronnen is niet bekend om hoeveel standrechtelijke executies het precies gaat.
De commandant van de W-Brigade had op 28 juni bevolen om zogenaamde franc-tireurs (gewapende strijders zonder uniform) te executeren. Het standrecht was op dat moment een legitiem middel volgens het toen geldende oorlogsrecht. Pas in 1949 werd internationaal besloten om ook franc-tireurs de status van een krijgsgevangene te geven.
Volgens een klacht van een officier zouden echter ook enkele soldaten van het TRI (geen franc tireurs!) en van brandstichting verdachte personen zijn geëxecuteerd. Spoor reageerde fel, hij had geen toestemming gegeven voor het toepassen van het standrecht. De commandant van de W-Brigade, waaronder 1-11 RI viel, had op eigen houtje gehandeld. Ook veroordeelde hij het executeren van militairen van de TRI. Het standrecht wordt ingetrokken.
Het Nationaal Archief beschikt over archiefstukken over de zuivering van Pesing. Het betreft deze stukken:
Collectie Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië, 2.10.17, inv.no. 1312: Misdragingen van Nederlandse militairen bij de bezetting van Pesing.
Collectie Algemene Secretarie van de Nederlands-Indische Regering, 2.10.14, inv.no 3741: Misdragingen van Nederlandse militairen bij de bezetting van Pesing, april 1947.
Idem, inv.no. 4716: Correspondentie inzake het onderzoek van de Interdepartementale Commissie naar oorlogsmisdaden begaan door Nederlandse militairen bij de zuivering van Pesing in West-Java, mei-december 1946.
‘De zuivering van Pesing’, door Bep Vuyk, in de Baanbreker, 4-5-1946:
www.dbnl.org/tekst/_ind004200501_01/_ind004200501_01_0008...
Learning on ‘the job’: Dutch war volunteers entering the Indonesian war of independence, 1945–46, door Peter Romijn. Journal of Genocide Research, 2012:
independent.academia.edu/PeterRomijn
"De zaak-Pesing, in 2012 opgetekend door NIOD-historicus Peter Romijn en ook uitgebreid beschreven door Limpach ("De brandende kampongs van Generaal Spoor").
"Bagatelliseren van Nederlands optreden in Nederlands-Indië helpt begrip ervan niet verder", HP/De Tijd van 4 mei 2017:
www.hpdetijd.nl/2017-05-04/bagatalliseren-nederlands-indie/
‘Op de vlucht neergeschoten’.
Extreem geweld door Nederlandse militairen tegen Indonesiërs in de jaren 1945-’50 was uitzonderlijk, luidt het officiële oordeel al decennia. Pas nu heeft een historicus de archieven en persoonlijke getuigenissen grondig doorgelicht op ‘excessen’. Hij stelt als eerste dat wandaden tegen Indonesiërs geen uitzondering waren, maar structureel voorkwamen. NRC, Anne-Lot Hoek, 15 augustus 2015:
www.nrc.nl/nieuws/2015/08/15/op-de-vlucht-neergeschoten-1...
"Extreem geweld Indië schuld van hoogste gezag".
Nederlandse militairen gebruikten structureel geweld in Nederlands-Indië. Dat is te wijten aan de drie hoogste gezagsdragers, blijkt uit nieuw historisch onderzoek".
NRC, Anne-Lot Hoek, 29 september 2016:
www.nrc.nl/nieuws/2016/09/29/extreem-geweld-indie-schuld-...
"Moorden en martelingen verdoezelen was ‘gewoon beleid’.
Interview Rémy Limpach, historicus.
De koloniale autoriteiten in Nederlands-Indië waren structureel gewelddadig. Klokkenluiders werden geïntimideerd, de bestuurlijke top gedoogde het extreme geweld en keek weg. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van historicus Rémy Limpach". NRC, Anne-Lot Hoek, 29 september 2016.
1945-1949: Van Nederlands-Indië naar Indonesië:
www.defensie.nl/onderwerpen/tijdlijn-militaire-geschieden...
De Indiëbataljons:
www.defensie.nl/onderwerpen/historische-canons/historisch...
Informatie over rapport ‘Oorlog in Indonesië’ van Emma Keizer (Achteraf is een andere wijsheid. De tegenstrijdigheid van postkoloniale zingeving in gedenkboeken).
In dit document vindt u informatie over het onderzoek van Emma Keizer naar de gedenkboeken van de Indië-militairen tijdens de dekolonisatie-oorlog in Indonesië:
www.defensie.nl/downloads/publicaties/2018/02/09/rapport-...
"Oorlog in Indonesië. Dekolonisatie in gedenkboeken van Indië-veteranen", door Emma Keizer; Bronbeek, Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum 2018 (ISBN/EAN: 978-90-802277-8-1).
"Op zaterdag 6 december '47 onving de commandant van 1-11 R.I., de Luitenant Kolonel Th.J.A. Boers, het bevel zich naar Cheribon te begeven voor een bespreking met de commandant van de W-Brigade. Zijn chauffeur, soldaat 1e klas G.W. v.d. Linde, kreeg vroeg in de middag de opdracht de jeep in gereedheid te brengen voor de reis van Tjiamis naar Cheribon. Zijn oppasser, Soldaat 1e klas H. Blom, kreeg te horen dat hij ook mee moest. Om 15.00 uur vertrok de jeep met de drie inzittenden uit Tjiamis. Ais extra beveiliging werden zij gevolgd door een truck met een chauffeur en zes gewapende manschappen.
De rit in noordelijke richting via Kawali en Panawangan verliep zonder problemen totdat om ongeveer 17.00 uur beide voertuigen zo'n 18 km ten noorden van Kawali dicht bij Tjikidjing, vanuit een hinderlaag werden beschoten. Tijdens het vuurgevecht werd Overste Boers ernstig gewond en overleed om ongeveer 17.45 uur. Drie soldaten van de beveiligingsgroep raakten gewond. Het hierna volgende Proces-verbaal geeft een volledig verslag van de omstandigheden waaronder Overste Boers is gesneuveld". Bron: "De Marsroute van 1-11 RI", door Piet Pothof; Naarden, 1995; Gedenkboek van het OVW-bataljon ‘Margriet’.
oorlogsgravenstichting.nl/persoon/16209/theodorus-johanne...
"Een brigade spat uiteen. Een moeilijk afscheid.
Bredasche Courant van 28-5-1948.
Dit materiaal kan alleen bekeken worden in de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek.
"Vijf jaar bataljon Margriet". Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche Courant en Vrije Twentsche Courant van
12-7-1950:
resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSAEN01:000065992:mpeg21:a0034
"De mannen van 1-11 R.I. Wat de Twentse jongens in Indië beleefden". Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche Courant en Vrije Twentsche Courant van 8-6-1948:
resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSAEN01:000063140:mpeg21:a0014
"Eerste beeld van executies in Indië.
Voor het eerst in de geschiedenis zijn foto's opgedoken van executies die zeer waarschijnlijk zijn uitgevoerd door het Nederlandse leger tijdens de politionele acties in voormalig Nederlands-Indië. De foto's komen uit het privéalbum van een soldaat die diende als dienstplichtige in Nederlands-Indië".
De Volkskrant, Lidy Nicolasen, 10-7-2012:
s.vk.nl/s-a3284192/?_sp=8e5e37b7-c928-469d-a47b-3311b2eda...
Excuses voor standrechtelijke executies Nederlands-Indië
Nieuwsbericht van 12-9-2013.
De Nederlandse ambassadeur in Indonesië, Tjeerd de Zwaan, heeft vandaag in Jakarta namens de Nederlandse regering excuses aangeboden voor standrechtelijke executies zoals begaan door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes en Rawagedeh in de periode 1945-1949. Hij deed dit tijdens een bijeenkomst in het Erasmushuis.
‘De Nederlandse regering’, aldus de ambassadeur, ‘is zich er van bewust dat zij een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de Indonesische weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies zoals begaan door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes en Rawagedeh. Namens de Nederlandse regering bied ik excuses aan voor deze excessen.’ De ambassadeur zei zich hierbij in het bijzonder te richten tot de weduwen uit Bulukumba, Pinrang, Polewali Mandar en Parepare in Zuid-Sulawesi:
www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2013/09/12/excuses-vo...
"Bekendmaking van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie van 10 september 2013, nr. MinBuZa.2013-256644, van de contouren van een civielrechtelijke afwikkeling ter vergoeding van schade aan weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies in het voormalige Nederlands-Indië van vergelijkbare ernst en aard als Rawagedeh en Zuid Sulawesi".
Staatscourant van 10 september 2013:
zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-25383.html
"Vijfenzestig jaar na dato: foto’s van Nederlandse executies in Indië". NRC, Lex Boon, 10 juli 2012:
www.nrc.nl/nieuws/2012/07/10/vijfenzestig-jaar-na-dato-fo...
'Nederlandse politici wisten van executies Indië'. Hooggeplaatste Nederlandse politici waren van de standrechtelijke executies in Nederlands-Indië op de hoogte toen die militaire operaties nog in volle gang waren. Dat meldt Trouw op basis van archiefstukken.
Het Parool, Bewerkt door: Redactie 16 september 2013. Bron: ANP: s.parool.nl/s-a3510383/
"Nederland moet het optreden in Nederlands-Indië in historisch perspectief plaatsen.
Maar we stellen onszelf wel eindelijk de koloniale schuldvraag". HP/De Tijd van 3 mei 2017.
"Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949":
www.parlement.com/id/vhm0l02igvut/soevereiniteitsoverdrac...
"Kritische flashbacks: Het kantelende beeld van dekolonisatie", J.J.P. de Jong, 6-2-2018: spectator.clingendael.org/nl/publicatie/kritische-flashba...
"Australië, Amerika en Groot-Brittannië en de Indonesische dekolonisatie", Bas Kromhout, Historisch Nieuwsblad 5/2001.
Grootschalig onderzoek naar het gebruik van extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië: www.ind45-50.org/
www.niod.nl/nl/achtergronddocumenten-dekolonisatie-onderzoek
Piet Hagen schreef een indrukwekkend boek over de koloniale geschiedenis van Indonesië. Journalist Piet Hagen boekstaaft de gewelddadige geschiedenis van Nederland in Indonesië.
Trouw, Co Welgraven, 24 juni 2018: www.trouw.nl/samenleving/piet-hagen-schreef-een-indrukwek...
"Koloniale oorlogen in Indonesië. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing", door Piet Hagen; Uitgeverij De Arbeiderspers 2018: www.ind45-50.org/piet-hagen-recht-doen-aan-de-geschiedeni...
Onderzoek ‘Indië’ samen met Indonesiërs.
Betrek Indonesiërs bij het onderzoek naar -Nederlandse oorlogs-misdaden in Indonesië.
De Volkskrant, Lara Nuberg, 4 februari 2019: www.volkskrant.nl/columns-opinie/onderzoek-indie-samen-me...
I instantly liked the character of this image found in an antiques shop in The Hague. I originally thought it might be a workplace, but the trousers hanging to dry and the pram suggest it may just be a back 'yard'. Not sure what that is bricked up behind.
On the reverse it has an address, which appears to be "45 rue Lepie". I have found a few rue Lepine in France, but not Lepie.
Small card backed image, ca 12cm x 9cm. Date unknown (early 1900s?)
Bestäubt werden die Akeleien nur von Insekten mit ausreichend langem Rüssel, etwa Hummelarten. Ein solcher Rüssel ist notwendig, um den am Grund der Sporne der Honigblätter ausgeschiedenen Nektar zu erreichen. Angelockt werden die Hummeln durch die Farbe der Blütenblätter sowie durch den Duft. Die Insekten halten sich mit den Vorderbeinen am Rand der Kronblätter fest und dringen mit ihrem Kopf in den lang ausgezogenen Sporn ein.
Kurzrüsselige Hummeln beißen gelegentlich den Sporn der Akelei von außen an und holen sich den Nektar, ohne dabei die Blüte zu bestäuben. Ist das Loch vorhanden, finden sich auch bald Bienen ein, die gleichfalls als „Nektardiebe“ den Nektar aufnehmen, ohne eine Bestäubung vorzunehmen.
de.wikipedia.org/wiki/Gemeine_Akelei
IMG_7442
OOC, außer Entfernung von Sensorflecken.
Auffällig ist, dass unscharfe Bereiche sehr anfällig gegen Sensorflecken sind. Sie dringen richtig nach vorn, weil sie Symmetrie zerstören.
Das Wasserwerk Friedrichshagen ging 1893 als drittes städtisches Wasserwerk in Betrieb. Es war damals das größte und modernste Werk Europas. Heute ist es ein Zeugnis der Industriegeschichte und ein Flächendenkmal von europäischem Rang. Einmalig ist die im Originalzustand erhaltene Maschinenhalle mit drei Dampfmaschinen von 1893. Erst 1979 wurde der Dampfbetrieb eingestellt. Eine Maschine kann heute über Elektroantrieb vorgeführt werden. Ein weiterer Maschinenraum mit Elektromotoren und Kreiselpumpen aus den zwanziger Jahren ist für jeden Technikfan ein Erlebnis. Aus Friedrichshagen kommt weiterhin ein bedeutender Teil des Berliner Trinkwassers, jetzt aber aus modernen Anlagen in der Nähe des Alten Wasserwerks. Ein Teil des Alten Wasserwerks war seit 1987 für die Öffentlichkeit als Museum geöffnet, zuletzt wurde dieses vom Verein Berliner Unterwelten e.V. betrieben. Dessen Vertrag wurde von den Berliner Wasserbetrieben aus unbekannten Gründen zum Jahresende 2018 gekündigt. Das Museum soll dann leider nur noch zu besonderen Gelegenheiten geöffnet werden.
Leider kann ich keine Bilder aus den Innenräumen zeigen. Dort durfte man zwar fotografieren, die Bilder dürfen aber nicht veröffentlicht werden.
The Friedrichshagen Waterworks were inaugurated in 1893 as the third municipal waterworks. At the time, is was the biggest and most modern one in Europe. Today it is a historic industrial monument of European importance. The machine hall with three steam engines from 1893, which has been preserved in its original condition, is unique. Steam operation ended as late as 1979. One of the engines can be shown in action, but now driven by an electric motor. Another engine room with electric motors and centrifugal pumps from the twenties is an experience for every technology fan. Friedrichshagen is still providing an important part of Berlin's dringing water, but it comes now from modern installations near the historic ones. Some parts of the Old Waterworks were transformed in a museum open to the public since 198, during the last years operated by the Association "Berlin's Underworlds". The museum is going to close at the end of 2018 as the association's contract has been cancelled by the Berlin Water Company for unknown grounds which announced that visits will be possible only on special occasions. I am sorry to say that I can't show interior photos. It was allowed to take photos only under the condition of not publishing them.
Grade II Listed 107-113 High Street in Lincoln, Lincolnshire
A 17th Century run of cottages which runs between 107-113 built of Squared ashlar and brick with inside beaded and chamfered beams. The row of cottages are often called St Andrews Row after a former street close to their location. The range was rebuilt by Mr Peart in 1797.
107 High Street: Inside beaded and chamfered beams. 1961 D Neal fruiterer; 1965 F M Smallwood Domestic Heating Centre. 1975-date, Ashby Sales and Exchange, second-hand goods.
108 High Street: 18th century box window and a moulded wooden door case with cornice. Inside beaded and chamfered beams. On site of St. Andrews Row. Number 108 was a post office branch in 1881; 1975 possibly a private house.
109 High Street: T W Sidaway wardrobe dealer; Franks Hairdressers c.1965 to ?2000; 2007 Crazy Nails
111 High Street: Rear outbuildings rebuilt in 1906 for J E Williams. 1961 G Smalley, fried fish dealer; 1965, D McPhail bookmakers.
112 High Street: 1961-1975 (at least), the Pet Shop (with 113). 1970s Linbrew.
113 High Street: A Medieval corbel reset in the east front. 1961-1975 (at least), the Pet Shop (with 112).
Information Source:
This was done with Fujifilm X-Pro2 and Fujinon XF 60mm f/2.4 R Macro.
If you have the X-Pro2 and want to shoot macro photos, then I can say that this 60mm is a must-have objective. With a crop factor you can get nice close-ups from things.
My portfolio here: www.flickr.com/photos/harrivayrynen/albums/72157624394324660
Pont du Carrousel 30/11/2025 16h56
It this guy actually capturing or flashing PA_965 or just capturing the statue on the Pont du Carrousel dring the blue hour? Or both?
PA_965 [30 points]
PA_965 (Close-up, May 2011)
PA_965 (Wide shot 1, May 2011)
PA_965 (Wide shot 2, Re-Activated, September 2018)
PA_965 (Wide shot 3, November 2025)
Date of invasion: 02/05/2011 (world ranking 2520)
Pont du Carrousel
Pont du Carrousel is a bridge in Paris, which spans the River Seine between the Quai des Tuileries and the Quai Voltaire.
History begun in 1831 in the prolongation of the rue des Saints-Pères on the Left Bank, the original bridge was known under that name until its inauguration, in 1834, when king Louis-Philippe named it Pont du Carrousel, because it opened on the Right Bank river frontage of the Palais du Louvre near the Arc de Triomphe du Carrousel in front of the Tuileries.
The bridge's architect, Antoine-Rémy Polonceau, succeeded in a design that was innovative in several aspects. For one thing, the new structure was an arch bridge, during a period when most bridge construction had turned to suspension bridges; the necessary towers and cables would have been considered unacceptable additions to the Parisian scenery. The structure combined the relatively new material of cast iron with timber. Its gradated cast-iron circular supports were quickly dubbed "napkin rings" (ronds de serviette). At each corner of the bridge were erected classic style stone allegorical sculptures by Louis Petitot, which remain in situ. They represent Industry, Abundance, The City of Paris and The Seine.
In 1906, after seven decades of use, serious restoration was required; the former wooden elements were replaced with beaten iron. Nevertheless, the bridge was too narrow for twentieth-century traffic, and shifted alarmingly. In 1930, its height above the river was judged insufficient for river transportation, and it was decided to scrap it for an entirely new structure to be built a few tens of meters downstream from the former one, and with greater headroom on the river. The architects Malet and Lang attempted to respect the former aspect, which now had become familiar to Parisians. The new bridge of reinforced concrete still crosses the river in three arches reaching the right bank in front of the Louvre, in direct line with the Arc de Triomphe du Carrousel. For its lighting at night, the iron craftsman Raymond Subes conceived an ingenious telescoping system that raised the streetlights from a height of 13 meters in the daytime to 20 meters at nightfall when they were lit; however, the system is too fragile to be of any use and does not function.
On 1 May 1995, the Moroccan immigrant Brahim Bouarram drowned after being thrown from the bridge into the river by members of a crowd gathered by the Front National. In 2003, in the name of all the citizens of Paris, the mayor of the city, Bertrand Delanoë, honored the memory of Bouarram and all the victims of racism with a commemorative plaque on the bridge.
The nearest Métro station is Palais Royal - Musée du Louvre.
Length 168 meters, width 33 meters
Earlestown Town Hall is a municipal building in Market Street in Earlestown, Merseyside, England. The building, which was the headquarters of Newton-le-Willows Urban District Council, is a Grade II listed building.
In the late 1880s the town improvement commissioners, who were based in the old assembly hall in the High Street in Newton-le-Willows, decided to procure a new public hall for Earlestown. The building was financed in part by a donation of land together with a gift of £500 from the lord of the manor, Lord Newton. It was designed by Thomas Beesley in the Queen Anne style, built in red brick by R. Neill & Sons of Manchester at a cost of £10,200 and opened in December 1893. The design involved an asymmetrical main frontage with seven bays facing onto Market Street; the central section of three bays featured a round headed doorway with a stained glass fanlight flanked by pilasters and brackets supporting a curved balcony and by full-height octagonal turrets. There was a French door on the first floor with a lunette window above surmounted by a shaped pediment containing a blank roundel. The left hand section contained a five-stage tower with a belfry in the fourth stage and a clock in the fifth stage. The quarter-chiming clock was designed and manufactured by Potts of Leeds. Internally, the principal rooms, which were both on the first floor, were the main hall on the south side of the building and the mayor's parlour on the northeast side.
After significant population growth, largely associated with the growth of the Earlestown Wagon Works, the Newton-le-Willows area became an urban district in 1895. As the centre of gravity of Newton-le-Willows moved to the west, the new building became the main town hall for the whole of Newton-le-Willows. A war memorial to commemorate local service personnel who had died in the Second Boer War, in the form of a stone figure of a soldier on a plinth, was designed by the local firm of Dring & Manchester and was built by Scott & Prescott of St Helens: it was unveiled by Lord Newton on 29 April 1905.
During the Second World War, the Home Guard took over the basement. A sandstone tablet commemorating the life of the locally-born soldier, Company Quartermaster Sergeant Norman Harvey, who was awarded the Victoria Cross for his actions while serving with the Royal Inniskillin Fusiliers in Belgium in October 1918 and who had died in the Second World War, was installed in the pavement in front of the war memorial after the end of the war. Performers at the town hall in the post-war period included the rock band, The Beatles, who took part in a concert on 30 November 1962. An extension at the rear of the building was constructed in the 1960s.
The building continued to serve as the headquarters of the Newton-le-Willows Urban District Council for much of the 20th century but ceased to be the local seat of government after the enlarged St Helens Metropolitan District Council was formed in 1974. It was subsequently used as workspace for the delivery of local services by the district council but closed completely in 2008. As part of longer term plans to bring the building back into use, the 1960s extension was demolished in August 2020.
D300 Strap Mod
This is a modification (for the D300) of the mod I had originally thought up for my D80.
Edit: Online source for miscellaneous carabiners. Google did all the work- I can't say that I've ever used this site.
After our small strobist tour, Ivo and I decided to drink something. So we spotted my favorite location Abraxxas. It is the best Whisky bar around and has a lot of good stuff to dring, even fresh tongued Guinnes. And nothing tastes better after a long evening, than a cool and fresh Guinnes :)
Das Wasserwerk Friedrichshagen ging 1893 als drittes städtisches Wasserwerk in Betrieb. Es war damals das größte und modernste Werk Europas. Heute ist es ein Zeugnis der Industriegeschichte und ein Flächendenkmal von europäischem Rang. Einmalig ist die im Originalzustand erhaltene Maschinenhalle mit drei Dampfmaschinen von 1893. Erst 1979 wurde der Dampfbetrieb eingestellt. Eine Maschine kann heute über Elektroantrieb vorgeführt werden. Ein weiterer Maschinenraum mit Elektromotoren und Kreiselpumpen aus den zwanziger Jahren ist für jeden Technikfan ein Erlebnis. Aus Friedrichshagen kommt weiterhin ein bedeutender Teil des Berliner Trinkwassers, jetzt aber aus modernen Anlagen in der Nähe des Alten Wasserwerks. Ein Teil des Alten Wasserwerks war seit 1987 für die Öffentlichkeit als Museum geöffnet, zuletzt wurde dieses vom Verein Berliner Unterwelten e.V. betrieben. Dessen Vertrag wurde von den Berliner Wasserbetrieben aus unbekannten Gründen zum Jahresende 2018 gekündigt. Das Museum soll dann leider nur noch zu besonderen Gelegenheiten geöffnet werden.
Leider kann ich keine Bilder aus den Innenräumen zeigen. Dort durfte man zwar fotografieren, die Bilder dürfen aber nicht veröffentlicht werden.
The Friedrichshagen Waterworks were inaugurated in 1893 as the third municipal waterworks. At the time, is was the biggest and most modern one in Europe. Today it is a historic industrial monument of European importance. The machine hall with three steam engines from 1893, which has been preserved in its original condition, is unique. Steam operation ended as late as 1979. One of the engines can be shown in action, but now driven by an electric motor. Another engine room with electric motors and centrifugal pumps from the twenties is an experience for every technology fan. Friedrichshagen is still providing an important part of Berlin's dringing water, but it comes now from modern installations near the historic ones. Some parts of the Old Waterworks were transformed in a museum open to the public since 198, during the last years operated by the Association "Berlin's Underworlds". The museum is going to close at the end of 2018 as the association's contract has been cancelled by the Berlin Water Company for unknown grounds which announced that visits will be possible only on special occasions. I am sorry to say that I can't show interior photos. It was allowed to take photos only under the condition of not publishing them.
Continued from last photo:
Its really hard for me to sit down and focus....these took me about a 2 months to build this pile of new jewelry from recycled aluminum cans. I take a long time to choose exactly how to cut up the can, and then whether to add hearts, or leave plain. And what colors go together? Should I etch the radiating lines into the metal? Some hands have 3 different aluminum cans used for the design. Then there are the ongoing problems of the hand dipped clear glossy coatings (wearing a respirator for a few hours- Ugggh).
What makes these always a pleasure for me to make is that they seem magical somehow. The hand is a powerful symbol in many parts of the world--Latin America, and the Middle East for example. Its fun to intersperse modern graphic iconagraphy on top of all this symbolism AND repurpose something that usually is strewn along roads, sidewalks, and found in trash bins (the aluminum can).
In 2009 I want to try chain variations/ lengths, clasps, and add-ons to the hands...like the sweet vintage bird on the pink one.
The history of the Caribby-islands
London :Printed by J.M. for Thomas Dring and John Starkey ...,1666.
French postcard. Photo G.L. Manuel Frères. Editions Sid., Paris, No. 8038.
Renée Falconetti (1892-1946), aka Maria Falconetti and simply Falconetti, was a French actress. Though she had a long stage career, and played in two other silent films, she is mostly known for her major performance in Carl Dreyer’s silent film La passion de Jeanne d’Arc (1928).
Little (1.63 m.) Falconetti was born Renée Jeanne Falconetti on 21 July 1892, in Pantin, Seine-Saint-Denis, in France. Some sources claim she was born in Corsica but she only had a Corsican father, Pierre Falconetti, who worked in the department store Au Bon Marché. At a young age her parents divorced. Falconetti was first raised by her maternal grandparents and then brought to a religious home, after which the mother took her and her brother with her again. Renée’s theatrical aspirations were not appreciated by her family, so she started working for an international company which sent her to Hamburg and Liverpool. In the UK she met the Jewish millionaire Henri Goldstück whose lover she became. Against her family’s wishes, Goldstück enabled her to take acting lessons with Maurice de Feraudy and in 1912 to start the Paris Conservatoire d’art dramatique , where she took lessons from Sylvain – who would later be her antagonist in Dreyer’s film. In 1915 she professionally debuted on the Parisian stage with Tschechov’s play The Marriage Proposal at the Théatre de l'Odéon, where she would remain employed for three years. Her breakthrough as actress followed with her part of Hélène in Saint-Georges de Bouhélier’s Le Carnaval des enfants, after which the lead as the blind girl in the melodrama Les deux orphelines (1917) followed, as well as many comedies. In 1917 Falconetti also acted on screen for the first time, in the short Le clown, directed by her former mentor Maurice de Féraudy, who also played the lead. In 1917 Falconetti also acted in Georges Denola’s and Jean Kemm’s film La comtesse de Somerive.
At the end of the war Falconetti had her own house on the Champs-Élysées. She started theatrical tours around international casinos and played in renowned Parisian theatres. Successes were alternated with flops. She got great critical acclaim for her part in Le feu qui reprend mal (1921), for which her tragedic capacities were compared to those of theatre stars like Réjane or Eleonora Duse. Falconetti earned 500 to 800 Franc per performance then, and was able to select her own parts. Moreover, she modeled for Parisian ‘haute couture’. In 1923 Falconetti played opposite Harry Baur and Charles Boyer in her first cross-dressing part as Charly. After two more successes (La Fille perdue, 1923; Le Bien-Aimé, 1924) she was accepted in 1924 by the Comédie-Française. Falconetti hoped thus to obtain tragic parts like those of her idol Sarah Bernhardt, but she couldn’t keep up with the fierce competition and hierarchy and became nerve wrecked, missing probes. She recovered in the countryside in Chatou and came back to the Comédie-Française with her debut there in Beaumarchais’ Le Barbier de Séville (1924), but the play was not a critical success. In 1925 she left the Comédie-Française and focused on boulevard comedy instead, again in Charly, now at the Théâtre de l'Étoile, as well as in Claude Roger-Marx’s Simili, again opposite Charles Boyer. After that followed the theatrical adaptation of Victor Margueritte’ successful novel La Garçonne, which had the Danish film director Carl Theodor Dreyer discover her. Dreyer was then in Paris because of his successful silent comedy Thou shall honor thy wife (1925). He was invited by the Société Générale company to make a film about a historical female person. He choose Joan of Arc and was offered a budget of sven million francs to shoot the film. Dreyer selected Falconetti then. More than one and a half year passed before shooting started. Dreyer used both the novel by Joseph Delteil and the original documents of the trial for his script, written with historian Pierre Champion, while he had Hermann Warm and Jean Hugo build a complex, faithful set of walls, towers, houses, a drawbridge and a church. Dring shooting, however, he focused on close ups of Falconetti’s face, often taken from below, as well as on sophisticated camera movements. Critics accused the filmmaker then of having turned his film into still photography. All the actors, including Falconetti, didn’t wear makeup during shooting. Falconetti completely identified with the part and had her head shaved for the final scene of the execution. Dreyer reputedly had his actress really suffering, up to the point of exhaustion, in order to obtain true emotions in front of the camera. Commercially La passion de Jeane d’Arc was a flop, but critics loved it and today it is regarded as one of the highlights of silent cinema because of Falconetti’s performance and the artistic cinematography.
Parallel to the shooting Falconetti was very successful in 1927 with an adaptation of Alfred de Musset und George Sand’s drama Lorenzaccio at the theater of Monte Carlo, later one continued at the Théâtre de la Madeleine. Directed by René Blum, Falconetti played the male lead, just like Sarah Bernhardt had done at its premiere in 1896. When Goldstück died in car accident in 1928, he left money only to Falconetti’s daughter, not to his lover. Falconetti’s mother Lucie Lacoste managed the money, despite Falconetti’s attempts to fight the will. She stayed away from the screenings of Dreyer’s film, where she was presented as Maria Falconetti. The premiere of the film received protest from the Catholic church. Falconetti lacked the funds to start her own theatre, her long cherished wish but refused by Goldstück. After hiring the Théâtre Femina twice to stage two plays there in 1928-1929, she managed to obtain her own theatre in 1929, the Théâtre de l'Avenue , but the theatre was a flop and it ruined her financially. She sold her house in Paris and her estate near Compiègne and moved to Switzerland, only rarely returning to perform in Paris in her former theatrical successes Lorenzaccio and La Dame aux camélias and in a theatrical performance around Jeanne d’Arc (1934), staged by Saint-Georges de Bouhélier. Her last performances were in the Parisian revue Le bœuf sur le toit and in Louis Jouvet’s staging of Jean Giraudoux La guerre de Troie n’aura pas lieu, both in 1935. For the latter play, in which Falconetti played Andromache, she obtained the fabulous sum of 10.000 francs per show. Afterwards she retired to Switzerland again, lived for a year in Rome in 1937 but her extraordinary style of living raised her debts up to 400.000 Swiss francs in 1940. When the Germans invaded Paris, she tried to emigrate to South America with her son, but had to wait until 1942 to obtain a valid visa. After having spent all of her savings in Rio, she moved to Argentina, where she survived by singing, acting and teaching, supported by the local French. Rumor is that by then Falconetti was heavily overweight and undertook a crash diet, but eventually this killed her and she died in Buenos Aires on 12 December 1946. Her body was taken to France and buried at the Cimetière de Montmartre. Renée Falconetti herself had become mother of Hélène Falconetti, who was mainly raised by her grandmother Lucie Lacoste. In 1931 Falconetti had a son who was raised with her in Switzerland and travelled with her to South-America. Falconetti went to court to have the father recognizing his son and paying for him as well. Falconetti had affirs with various men, a.o. Saint-Georges de Bouhéliers and Charles Boyer. In 1987 her daughter Hélène Falconetti released a double biography on her mother and her own son, the actor Gérard Falconetti (1949–1984).
Sources: English, French and German Wikipedia, IMDB.
The Renault Avantime is almost entirely unchanged from the concept version exhibited at the 1999 Geneva Show. Today, the Renault Avantime is a precious find for collectors of rarities!
De Renault Avantime is een coupé gemaakt op basis van de meest onwaarschijnlijke basis: een MPV. Het lijkt op het eerste gezicht een onlogische combinatie. Het gevolg van deze wonderlijke combinatie wordt al snel duidelijk. Menigeen denkt namelijk dat deze auto helemaal niet te koop is en dat het slechts een rijdend prototype is waar journalisten mee mogen spelen. Laat het hierbij duidelijk zijn: de Renault Avantime mag de tijd ver vooruit zijn, maar was in 2001 al te koop. Verkoop aantallen Avantime in Nederland: in 2001 3 stuks,
2002 146 stuks, 2003 59 stuks, 2004 en 2005 nog de restanten van respectievelijk 7 en 3 stuks. In totaal nieuw verkocht in Nederland 218 stuks (bron: Autoweek).
De Avantime oogt futuristisch doordat de zijkant wordt geflankeerd door slechts twee deuren, zijruiten zonder middenstijl en een achterruit dat tegen de rijrichting in lijkt te zijn geplaatst. Recht van voren gezien heeft de Avantime veel weg van de Renault Espace, zij het dat de koplampen zijn voorzien van "luchtroosters". De achterkant doet nog het meest denken aan een rondvaartboot met een rondlopend achterruit met daaronder iets dat het midden houdt tussen een uitzonderlijk grote bumper of erg klein kofferdeksel. De achterlichten zijn complete kunstwerkjes die wederom tegen alle gangbare lijnen in gaan om daarna gespiegeld in de achterklep terug te komen.
's Werelds grootste coupé telt twee deuren die ieder openen met twee scharnieren. De eerste zet de deur iets van de auto af, waarna de tweede conventioneel scharniert. Dit principe is toegepast omdat dergelijke grote portieren anders enkele meters ruimte naast de auto nodig zouden hebben om helemaal te openen. Nadeel van deze oplossing is wel dat de deuren niet bijzonder ver openen en iedereen bij de eerste kennismaking de deur met iets meer kracht dan gepland tot de limiet opent.
Achter de ingenieuze toegang zijn twee stoelen te vinden. Omdat de makers alle ruimte hadden, zijn dat twee koninklijk ruime zetels die van alle gemakken zijn voorzien en in alle richtingen verstelbaar zijn. Omdat de Avantime geen B-stijl heeft, zijn de gordels -net als bij een cabriolet- in de stoelen geïntegreerd. Net als bij een cabriolet heeft dit als nadeel dat de gordels nadrukkelijk op de schouders rusten, wat door sommigen als storend wordt ervaren.
De Avantime is bedoeld als coupé en daar hoort ook een bescheiden achterbank bij. Achter de voorstoelen zijn daarom twee kuipstoelen te vinden waarvan de zitting beduidend hoger is geplaatst dan die van de voorstoelen. In tegenstelling tot de meeste andere coupés, biedt deze reuze-coupé ook achterin volwaardige zitruimte. De ruimte achterin is niet die van een MPV, maar meer vergelijkbaar met die van de gemiddelde compacte auto.
Vanaf de enorme voorstoelen hebben de inzittenden zicht op een dashboard dat op de middenconsole na vrijwel ongewijzigd is overgenomen uit de Espace. De ruimte voorin is zo groot, dat het dashboard niet bereikbaar is zonder uit de stoelen los te komen. Daarom zitten de meeste bedieningselementen op en rond het stuurwiel.
Alleen de bediening van de (links/rechts gescheiden) airconditioning is in de hoeken van de deuren geplaatst en is daarmee prima bereikbaar. De opzet benadrukt samen met de originele kleurstelling en het materiaalgebruik het futuristische karakter van de auto. De kennismaking met de Avantime is op deze manier al een belevenis voordat de echte proefrit is begonnen!
Alleen voor de bediening van het navigatiesysteem (alleen in de Privilège versie) was geen ruimte meer, zodat die laag in de middenconsole is geëindigd. Het is daarom zaak de bestemming vóór het rijden in te geven en het systeem verder met rust te laten. Het beeldscherm van het navigatiesysteem is prominent midden op het dashboard te vinden en laat zich prima aflezen.
De enige kritiek op de ergonomie betreft de cruise control. Dit verder zeer eenvoudige en logisch opgezette systeem heeft [-] en [+] toetsen om de rijsnelheid aan te passen, maar de toetsen zijn omgedraaid. Wie een dergelijke voorziening gebruikt om bijvoorbeeld een strenge snelheidslimiet bij werkzaamheden na te leven, loopt het risico ongewild toch te hard te rijden als de snelheid wordt aangepast. Zoals al bij andere tests van andere Renault-modellen opviel, biedt ook dit topmodel veel luxe voor het geld.
Bij een revolutionaire vormgeving en een futuristisch interieur kan alleen een vooruitstrevende motor horen. Alhoewel de auto in eerste instantie alleen met een 3-liter V6 motor zou worden geleverd, zijn daar later ook een 2-liter turbomotor en een 2.2-liter diesel bijgekomen. Mijn auto is voorzien van de 2-liter turbomotor en dat is er één van het type dat de autoliefhebber graag ziet.
Dankzij de turbo zijn de prestaties prima, maar is het verbruik voor een auto van deze omvang bescheiden. De krachtbron is standaard gekoppeld aan een prima schakelende zesversnellingsbak (zonder de bekende "Renault speling") en dat komt de rust en wederom het verbruik ten goede. De overige rijeigenschappen zijn kort samen te vatten: prima. Het geluidsniveau is voor een dergelijke limousine slechts "voldoende", want door het vele glas zijn rijgeluiden van de Avantime zelf gering, maar dringen geluiden van het overige verkeer nadrukkelijk tot het interieur door.
Ondanks de goede maar niet buitengewone rijeigenschappen, is een rit met de Avantime wel degelijk een bijzondere ervaring. Dankzij de ongekende hoeveelheid glas en de hoge zit, is het gevoel van vrijheid enorm.
Bij de binnenspiegel is bovendien een "magische" knop te vinden. Naast de bediening van het zonnescherm (dat in de praktijk vooral 's nachts handig is om reflecties in het glazen dak te voorkomen) en het panoramische schuifdak is hier de "Grand Air"-knop te vinden. Met een druk op die knop verdwijnen binnen 10 seconden alle zijruiten en schuift tegelijkertijd het gehele dakpaneel boven de voorstoelen weg. Dan wordt het gevoel van vrijheid nog groter en benadert het zelfs dat van een cabriolet!
Tot ongeveer 80 km/u is comfortabel te rijden in deze "Grand Air"-stand. De naam Avantime is een verbastering van Frans en Engels voor "de tijd vooruit" en in dit geval is die naam heel terecht gekozen!
Zelden heeft een gewone standaard productieauto zoveel bewondering en plezier gebracht tijdens de testperiode. Voetgangers lopen spontaan de weg op om te vragen wat dit voor wonderlijke verschijning is, in files worden enthousiast duimen opgestoken, bij verkeerslichten gaan raampjes open om bewondering uit te spreken voor deze toekomstauto en zelfs als de Avantime is geparkeerd is het niet ongebruikelijk dat er mensen omheen lopen die hun ogen nauwelijks geloven. Hulde aan Renault!
Met de term "Createur d'Automobiles" geeft het merk aan een eigen koers te varen die in korte tijd heeft geresulteerd in diverse vernieuwende auto's. De onlangs onderscheiden Megane moet daarvan voor het grootste volume zorgen, terwijl de Vel Satis vooral op de zakelijke markt is gericht. De Avantime is echter de meest baanbrekende auto en de bron van de vernieuwing binnen Renault. De Avantime is echt bijzonder om te rijden dankzij een groot gevoel van vrijheid, bijzondere vormgeving en prima rijeigenschappen.
s0038a 8615 Brock14A2B Atlantischer Ocean. (Doppelseitige Farbkarte). Brockhaus' Konversations-Lexikon Vierzehnte vollständig neubearbeitete Auflage. 1894.
Atlantischer Ocean oder Atlantisches Meer (so benannt wie die fabelhafte Insel Atlantis [s. d.] nach dem Atlas, der am westl. Ende der Erde gedacht ward), derjenige Teil des Weltmeers, der die Alte Welt auf ihrer Westseite von der Neuen Welt trennt und seine Hauptausdehnung von N. nach S. hat (vgl. dazu die Karte: Atlantischer Ocean). Die Inselbildung ist gering, etwas reicher nur an den Küsten Nordamerikas und Europas. Wichtigere Stationen sind: Island und die Färöer zwischen Europa und dem polaren Amerika; die Azoren und die Bermudagruppe zwischen Europa und dem mittlern und südl. Nordamerika; Ascension, St. Helena, Trinidad und Tristan da Cunha zwischen Afrika und Südamerika; die Falklandsinseln, Südgeorgien und Sandwichsland zwischen Südamerika und den antarktischen Gestaden.
Ausdehnung und Grenzen. Die von dem A. O. bedeckte Fläche umfaßt nach Karstens (1894) 79892393 qkm, mit den Nebenmeeren (Mittelländisches Meer, Ostsee, Nordsee, Kanal, Irisch-Schottische See, St. Lorenzgolf, Golf von Mexiko und Karibisches Meer) aber 89959829, mit dem Nördlichen Eismeer 102959829 qkm. Die Länge von N. nach S. beträgt 13335 km, die größte Breite 9000 km zwischen Senegambien und dem Busen von Mexiko; die geringste 1500 km zwischen Norwegen und Grönland. Als Grenzen gelten die beiden Polarkreise im N. und S. und die Meridiane am Kap Agulhas und Kap Hoorn gegen O. und W.
Das Becken des A. O. ist erst in neuerer Zeit einigermaßen erforscht worden. In der idealen Mittellinie zwischen den Küsten der Alten und Neuen Welt liegen einzelne stäche Rücken von etwa 1000 bis 3000 m Tiefe, während die Mitteltiefe des Gesamtbeckens nach Karstens mit den Nebenmeeren und dem Nördlichen Eismeer 3161, ohne dieselben 3763 m beträgt. Der nördlichste Rücken ist die sog. Kabelplatte, auf 51° nördl. Br. und von 30° bis 40° westl. L. sich erstreckend, mit 2700 m Tiefe; südlich schließt sich hieran der Azorenrücken, bis etwa 35° nördl. Br. reichend. Getrennt durch größere Tiefen liegt südlich des Azorenrückens die Atlantische Platte zwischen 40-50° westl. L. und 20-30° nördl. Br. Dann zeigen sich erst wieder flachere Stellen unter dem Äquator, der sog. Äquatorialrücken, dessen höchste Erhebung die Insel St. Paul ist, sowie südlich von diesem, in 15° westl. L. bis zu 40" südl. Br. reichend, der sog. Challengerrücken. Von den beiden Mulden zwischen der Rückenlinie und den Festlandsküsten ist die westliche nach den bisherigen Beobachtungen die tiefere und reicht auch in zwei Armen nördlich bis an die Grenze des A. O., indem in der Dänemarkstraße zwischen Island und Grönland Tiefen bis zu 2900 m und zwischen Grönland und Labrador bis zu 4500 m gemessen worden sind. Weiter südlich nimmt diese Mulde an Tiefe zu; östlich von Neuyork fand man bis 6770 m (3700 Faden) und unmittelbar am Rande der Antillengruppe, nur 1° nördlich von Anegada, wurden durch die Challenger-Expedition 7086 m (3875 Faden) gemessen, überhaupt zeichnet sich der Ostrand der kleinen Antillengruppe durch den steilen Abfall zu großen Tiefen aus, und auch die Kanäle zwischen denselben besitzen mehrfach außerordentliche Tiefen, z. B. zwischen St. Thomas und Sta. Cruz 4720 m (2580 Faden); viele derselben gehen unter 2000 m hinab. Die größte Tiefe des A. O. wurde von "Blake" 1885 nördlich von Portoriko auf 19° 39' nördl. Br. und 66° 26' westl. L. zu 8341 m gemessen. Weiter südlich finden sich auf dieser Seite des A. O. meist Tiefen von 4000 bis 4500 m. Zu den tiefsten bekannten Stellen in der südl. Westmulde gehören 5° östlich von den Martin-Vaz-Inseln die Tiefen von 4900 und 6000 m. Die östl. Mulde scheint nicht über die durch die Färöer bezeichnete Grenze hinauszureichen; denn die größte zwischen diesen und Island gemessene Tiefe erreichte nur an einer Stelle 1544 m, blieb aber sonst meist auf ungefähr 500 m. Auch ihre Tiefe nimmt nach S. allmählich zu; in der Breite des Kanals beträgt sie bis 4500 m, nordwestlich von Madeira etwa ebensoviel, und wächst unter 30° nördl. Br. bis auf 6293 m. Im südlichen A. O. liegt die größte Tiefe mit 7370 m unter dem Äquator und 19" westl. L.; weitere große Tiefen zeigt die westl. Rinne vom Äquator bis 10° südl. Br., meist über 6000 m, während die östl. Rinne 5600 m nicht übersteigt und durch einen von der Goughinsel nordöstlich ziehenden Streifen in zwei Teile getrennt wird. An die Küsten tritt der A. O. im allgemeinen mit ziemlich bedeutenden Tiefen heran, namentlich ziehen sich Mulden von über 4000 m in den Busen von Biscaya und in die Nähe der Straße von Gibraltar. Dagegen erstrecken sich mehrfach große Untiefen weit hinein, wie z. B. die Bank von Neufundland mit weniger als 200 m Wasser. Die 200-Meterlinie läuft aus dem Biscaischen Meerbusen in einem Bogen um die brit. Inseln herum bis in die Nähe der norweg. Küsten. Im allgemeinen ist der Boden des Meers außerordentlich eben, steilere Abhänge haben sich bis jetzt fast nur in der Nähe der Küsten nachweisen lassen. - Die heraufgebrachten Proben des Grundes zeigen in der Nähe der Küsten meist Sand und Lehm, selten Felsboden; in größern Tiefen ist der Boden fast ausschließlich bedeckt mit Pflanzen- und Tierresten, namentlich den kieseligen und kalkigen Schalen kleiner Diatomeen, häufiger aber, von 1000 bis 2200 m an, gewisser Foraminiferenformen (grauer Thon, Globigerinenschlick, s. Kammerlinge), von 2200 m an tritt der rote Tiefseethon auf, der wesentlich aus den kieseligen Schalen und Schalenresten von Radiolarien oder Strahlingen (s. d.) besteht. Der Tiefseeurschleim (Bathybius) Huxleys und Haeckels hat sich als ein Kunstprodukt herausgestellt.
Das Wasser des A. O. hat ein spec. Gewicht von 1,0267, und die aufgelösten Salze betragen ungefähr 3,62 Proz. In den Passatzonen steigert sich der Salzgehalt infolge des Mangels an Niederschlägen bis auf 3,79 Proz., während er in der Davisstraße durch Beimengung des Schmelzwassers von Gletschern und Eisfeldern auf 3,32 Proz. sinkt.
Unter den Strömungen des A. O. (s. die Karte der Meeresströmungen, beim Artikel Meer) zeichnet sich der Süd-Äqnatorialstrom ans, der in ungefähr 0° Länge und zwischen 0° und 10° südl. Br. beginnend, südlich dem Äquator folgend, westlich läuft. Er spaltet sich in der Nähe der brasil. Küste in den Guayanastrom (nördlich) und den brasil. Küstenstrom (südlich). Seine Geschwindigkeit beträgt im Mittel in der Nähe des Äquators 45-55, weiter südlich 30-34 km täglich. Die Untersuchungen der Challenger-Expedition haben gezeigt, daß sich auch der Äquatorialstrom nur auf verhältnismäßig geringe Tiefen erstreckt; man fand nämlich in einer Tiefe von 100 m nur noch halb so große Geschwindigkeit wie an der Oberfläche, und in 150 m Tiefe war fast keine Bewegung mehr zu spüren. Sein südl. Arm, der Brasilstrom, läuft in einer durchschnittlichen Entfernung von 400 km von der Küste, mit einer täglichen Geschwindigkeit von 22 bis 55 km, bis zur Höhe der La Plata-Mündung sich allmählich verbreiternd. Hier teilt er sich; der schwächere Arm läuft weiter südlich bis in die Nähe der Falklandinseln, während der Hauptteil östlich umbiegt und im kalten Wasser der antarktischen Strömungen verschwindet. Diese häufen ihr Wasser an dem südl. Teile der afrik. Westküste auf und bilden den nordwärts gerichteten Benguellastrom (s. unten). Im Gebiete des Nordostpassats, und zwar bei den Kapverdischen Inseln, beginnt der Nord-Äquatorialstrom, zuerst nach SW., dann nach W., nicht südlicher als 10° nördl. Br. Seine Geschwindigkeit beträgt täglich 19 -28 km. Von 40° westlich von Greenwich wendet er sich nordwestwärts auf die Kleinen Antillen zu und gebt dann als Antillenstrom weiter, bis er nördlich von den Bahamainseln im Golfstrom verläuft. Der Guayanastrom, der nordwestl. Arm des Süd-Äquatorialstroms, folgt in einer Entfernung von etwa 20 km der Küste von Südamerika, die Wasser des Amazonas mit sich reißend. Seine Geschwindigkeit beträgt 36-93 km täglich. Zwischen Trinidad und Martinique hindurch tritt er in das Karibische Meer und von hier durch die Yucatanstraße in den Mexikanischen Busen. Zwischen Nord – und Süd-Äquatorialstrom flutet von W. nach O. die Guinea- oder Äquatorialgegenströmung, deren erste Spuren im September auf 40° westlich von Greenwich und 10° nördl. Br., im März erst auf 25° westlich von Greenwich und 5° nördl. Br. auftreten. Sie läuft mit einer mittlern täglichen Geschwindigkeit von 28 km (bis 37 km) auf Liberia zu, dann östlich in den Golf von Guinea bis zum Kap Lopez; ein schwacher Arm lauft nördlich nach dem Kap Verde. An ihrer Westseite zieht längs der Küste von Nordamerika die bekannte Strömung bin, welche sich als Floridastrom aus der Floridastraße entwickelt und eigentlich erst unter 40° nördl. Br. den Namen Golfstrom (s. d.) erhält. Von hervorragender Bedeutung für Schiffahrt und Klima sind noch die beiden Strömungen, die ans dem Nördlichen Eismeere herabfließen. Die eine, der Ost-Grönlandstrom, fließt an der Ostküste von Grönland südwärts und biegt am Kap Farewell nach der grönländ. Westküste um bis Godthaab; ein schwächerer Arm läuft von Jan Mayen nach der Ost-und Südostküste Islands. Die zweite Strömung, der Labradorstrom, kommt aus der Baffinbai durch die Davisstraße und folgt der Küste der Vereinigten Staaten von Amerika bis Kap Hatteras. Da er meist etwa 10° C., zuweilen bis 17° kälter ist als der Golfstrom, so übt er einen stark abkühlenden Einfluß aus auf das Klima der amerik. Ostküste. Für die Schiffahrt ist er besonders wichtig durch die Eismassen, die er aus den arktischen Regionen bringt (s. Treibeis). In der Region der nordatlantischen Schiffskurse erscheinen die Eisberge (s. d.) im Januar, am stärksten im Mai und bedrohen die Schiffahrt bis in den Juli hinein. Das Gebiet, auf dem größere Massen auftreten, erstreckt sich östlich und südöstlich von Neufundland auf 600-700 km; doch finden sich im Mai und Juni treibende Eisberge bis zu 39° nördl. Br. Und erheischen von seiten der Seefahrer bei nebligem Wetter oder bei Nacht die größte Vorsicht. Im Südatlantischen Ocean dringen die Eismassen des Antarktischen Meers etwa ebenso weit gegen den Äquator vor, kreuzen aber nicht in gleichem Maße die Kurse der Schiffe. Die äußerste Grenze, bis zu der man bis jetzt im A. O. Treibeis gefunden bat, ist im N. 37° 30', im S. 35° Breite beim Kap der Guten Hoffnung und 38° beim La Plata. Doch läuft die Grenze des Treibeises in Durchschnittsjahren von Kap Hoorn nach Tristan da Cunha und von da östlich, allmählich nach S. zurückweichend. Die Monate, in denen das Treibeis hier am weitesten nach N. vordringt, sind Januar bis März; es zeigt auf der südl. Halbkugel seltener die abenteuerlich zerrissenen Formen wie auf der nördlichen, sondern bildet meist Plateaus von riesenhafter Ausdehnung. Kühle Strömungen ziehen längs der Südwestküste Afrikas gegen Norden (Benguellastrom) und in derselben Richtung längs der Küste Patagoniens bis gegen den La Plata (Falklandstrom). - Außer diesen Oberflächenströmungen hat man in neuester Zeit auch Strömungen in tiefern Regionen nachgewiesen. Die Untersuchungen der Challenger-Expedition haben gezeigt, daß die Unterströmung in der Richtung um 120° von der an der Oberfläche herrschenden abweichen kann; man fand sie in einer Tiefe von 200 bis 500 Faden (350-900 m). Weiter unten zeigte sich eine schwache Strömung von derselben Richtung wie an der Oberfläche, während in einer Tiefe von mehr als 600 Faden (1100 m) sich keine Bewegung mehr nachweisen ließ. Durchweg hat sich gezeigt, daß diese bisher bekannten Strömungen in verhältnismäßig geringe Tiefen hinabreichen; eine Bestätigung dieses Ergebnisses lieferten namentlich die Beobachtungen der Challenger-Expedition über die Temperatur des Meerwassers in verschiedenen Tiefen, ans denen hervorgeht, dass sich der Einfluß des Klimas in viel geringere Tiefen erstreckt, als man bisher geglaubt hatte. - Interessante Erscheinungen sind noch die großen Tangwiesen, die sich zwischen 40 und 60° westlich von Greenwich und 22 - 35° nördl. Br. in dem Teile des A. O. finden, der innerhalb der großen Strömungen unbewegt bleibt. (S. Sargassomeer.) In neuerer Zeit hat man nicht nur diesen, sondern der ganzen pelagischen Tier- und Pflanzenwelt (Auftrieb, s. Plankton) sowie dem Tiefseeleben (s. d.) eine erhöhte Aufmerksamkeit geschenkt.
Die Oberflächentemperaturen des A. O. sind am höchsten zwischen 30° und 40° nördl. Br.; hier liegt eine etwa 550 m mächtige Schicht Oberflächenwassers von über 15° C. Selbst im Tropengürtel ist die Temperatur in 180 m Tiefe schon niedriger als 15°, namentlich im Südatlantischen Ocean. Der nördliche A. O. ist im Westen wärmer als im Osten, in den untern Teilen aber kälter, da die Polarströme hier ihre Wirkung zeigen. Im südlichen A. O. ist der Westen oben wärmer als der Osten. Unter dem Äquator beträgt die Tiefentemperatur des A. O. in 180 m 13,4°, in 366 m 8,2°, in 550 m 5,4°, in 914 m 4,0°, in 1829 m 3,0°, in 2377 m 2,0°, in 4160 m bis zum Boden 0,9° C. In den außertropischen Tiefen kommen Bodentemperaturen bis -2° vor. Von 1800 m an verschwindet der Einfluß der geogr. Breite; die niedrigsten Tiefentemperaturen liegen dort, wo die Polarströme fließen.
In Bezug auf die herrschende Windrichtung zerfällt der A. O. in drei Teile: die Region der Passate in der heißen Zone und zu beiden Seiten derselben die Regionen der veränderlichen Winde, die bis zu den nördl. und südl. Grenzen reicht. Zwischen den Passaten liegt die Kalmenregion. Im allgemeinen zeigt der Passat an den Gestaden der Alten Welt eine mehr meridionale Richtung, in der Nähe der Neuen Welt dagegen nähert sich die Windrichtung in beiden Hemisphären der Ostrichtung. An den Ostküsten des A. O., nördlich vom Äquator, besonders im Golf von Guinea, wird die Passatregion von der Küste selbst durch einen bis 300 km breiten Zwischenraum geschieden; dagegen greift der Passat nördlich vom Kap San Roque weit auf das Festland herüber und begünstigt dadurch die Schiffahrt auf dem Amazonas und dem Orinoco. An der Küste von Niederguinea wird der Passat durch die Erwärmung des Kontinents in einen Südwestwind abgelenkt. An den Küsten von Oberguinea bis zu den kanarischen Inseln weht ein monsunartiger Wind, der in der heißen Jahreszeit landeinwärts gerichtet ist und in dem großen Auflockerungsgebiete der Sahara seine Erklärung findet. Im nördlichen A. O. finden sich an der Nordgrenze des Passats die Roßbreiten (s. d.) und vom 30. bis 60. Breitengrade die Region der veränderlichen Winde, doch herrschen die westlichen entschieden vor. Ihre Häufigkeit verhält sich zu der der östlichen fast wie 2:1; namentlich sind die südwestl. Winde häufig im Sommer. Eine entsprechende Region von Roßbreiten und vorherrschenden Westwinden zeigt sich im südlichen A. O. Stürme finden sich in allen Teilen des A. O., am seltensten in der Passatregion. Besonders gefürchtet sind die Ränder des Golfstroms, der Busen von Biscaya und die Gegend östlich vom Kap Hoorn; am furchtbarsten sind aber die westind. Wirbelstürme (Cyklone und Tornados), deren Region bis über Kap Hatteras hinausreicht.
In dem engsten Zusammenhange mit der Verteilung der Winde stehen die Bahnen, die die Schiffahrt, namentlich die Segelschiffe, auf dem A. O. innehält. Von Europa nach Nordamerika giebt es zwei Hauptlinien. Auf der nördlichen, namentlich für Dampfer und gute Segler empfehlenswert, hält man sich im Anfang des Jahres in 46-50° nördl. Br. bis etwa zum 34.° westl. L.; dann steuert man südwestlich zum 43.° nördl. Br. und auf diesem Parallel zwischen der Neufundlandbank und dem Golfstrome hindurch, bis man in die südwestl. Küstenströmung und mit ihr zum Bestimmungsort gelangt. In der zweiten Hälfte des Jahres steuert man noch nördlicher bis zum 55.° nördl. Br. Und geht dann ungefähr vom 25.° westl. L. erst weiter nach Süden. Die zweite, südl. Route ist namentlich schwächern Seglern zu empfehlen; diese suchen möglichst schnell die Passatregion zu erreichen, indem sie westlich von Madeira steuern; in diesem Gürtel halten sie sich auf dem 22. bis 28. Parallel, bis etwa 60° westl. L., und steuern dann südlich an den Bermudas vorüber nach dem gewünschten Hafen. Bei der Rückfahrt nach Europa sucht man möglichst schnell den Küstenstrom zu kreuzen und dann den Golfstrom nördlich zu verlassen. – Von Europa nach den brasil. Häfen steuert man entweder zwischen den Azoren und Madeira hindurch oder zwischen dieser Insel und den Canaren, je nachdem der Ausgangshafen nördlich oder südlich vom 40. Breitengrade liegt. Weiter sucht man dann den Äquator unter 22-27° westl. L. zu schneiden, weil hier die Zone der Windstillen schmaler ist als weiter östlich; zuweilen gelangt man fast ohne Kalmen zum Südostpassat. Auf der weitern Fahrt zum Kap Hoorn steuert man in der Region der vorherrschenden Westwinde ziemlich nahe an der patagon. Küste, etwa in einer Entfernung von 200 km, weil weiter außen durch den fast immer westlichen, zuweilen zum Sturm anschwellenden Wind ein sehr schwerer Seegang herrscht; man sucht deshalb westlich der Falklandsinseln zu fahren. Auf der Rückreise dagegen, wo Wind und Strom behilflich sind, steuert man östlich von dieser Gruppe, sucht den Wendekreis des Steinbocks in der Nähe des Meridians von Ferro zu schneiden, um dann mit den Passaten nordnordwestlich und in der Region der vorherrschenden Westwinde wieder nach Osten zu steuern. Von den brasil. Häfen steuert man zunächst seewärts und sucht dann den Äquator zwischen 24 und 30° westl. L. zu kreuzen, je nachdem man europ. oder nordamerik. Häfen erreichen will. - Von Europa nach dem Busen von Guinea hält man sich etwa am Meridian von Ferro bis südlich vom Kap Verde, und von da weiter immer in nicht allzu, großer Entfernung von der Küste, da hier die Fahrt durch den Südwestmonsun wesentlich begünstigt wird. In größerer Entfernung von der Küste von Oberguinea würde man in die Äquatorialströmung und in den Südostpassat gelangen, was für die Fahrt rückwärts sehr günstig ist; man fährt dann im Mai bis Dezember unmittelbar nördlich vom Äquator, in der übrigen Zeit des Jahres in etwa ½-2° südl. Br. bis zum 27. bis 32.° westl. L. je nach dem Bestimmungsorte. - Von Europa nach dem Kap der Guten Hoffnung oder nach Niederguinea muß man auf der nördl. Halbkugel denselben Weg einschlagen, als wollte man nach den brasil. Häfen. Erst nachdem die Passatregion südlich verlassen ist, wendet man sich östlich. Auch für St. Helena ist dieser Weg jederzeit möglich; doch kann man für beide Bestimmungen auch zunächst den Busen von Guinea zu erreichen suchen, um von da immer in der Nähe der Küste südlich zu steuern mit Hilfe der Südwestwinde, die vom Januar bis September hier wehen. Schwache Segler ziehen die westl. Fahrt vor. Für Schiffe, die den Indischen Ocean erreichen wollen, ist die westl. Route ausschließlich zu empfehlen, ein Anlegen in Kapstadt ist womöglich zu vermeiden; man steuert auf dem 40.° südl. Br., vom Dezember bis Februar noch südlicher, von Wind und Strom begünstigt. - Die Zeiten, die in neuester Zeit von Segelschiffen auf den verschiedenen Fahrten gebraucht wurden, sind folgende: Vom Kanal nach Neuyork 25-40 Tage, zurück 15-23; vom Kanal nach Westindien 27-30, vom Kanal bis zum Äquator 27-33, im günstigsten Falle 15-16 Tage; von Neuyork bis zum Äquator etwa 30 Tage; vom Kanal nach Bahia 40, nach Rio 45, zum Kap Hoorn 66, nach Kapstadt 60, in den Busen von Guinea 51 Tage. Genaueres findet man in den vom Board of Trade in London veröffentlichten Passage tables. – Weniger vom Wetter beeinflußt sind die Dampfschiffe, welche den A. O. nach allen Richtungen durchkreuzen. Die erste regelmäßige Postdampferlinie, die Cunardlinie (s. Cunard Steam Ship Company), wurde 1840 zwischen Liverpool und Neuyork eröffnet; jetzt beträgt die Anzahl der Dampferlinien mehr als fünfzig. Die schnellsten Dampfschiffreisen vom Kanal nach Neuyork werden in weniger als 6 Tagen zurückgelegt, gewöhnliche in etwa 10–15 Tagen. (S. Dampfschiffahrt.)
Der A. O. nimmt somit in Bezug auf den Handel und Verkehr noch immer die erste Stelle ein, und daher kommt es auch, daß die Telegraphie hier besonders entwickelt ist. Am 5. Aug. 1857 begann von Valentia (Irland) aus die Legung des ersten transatlantischen Kabels. Nach mehrfachen mißglückten Unternehmungen gelang endlich 27. Aug. 1866 die Kabellegung zwischen der irischen Küste und Neufundland. Jetzt enthalten die Küstengewässer und Nebenmeere des A. O. etwa 40 Kabel; 10 transatlantische Kabel verbinden Europa und Nordamerika, 2 Europa mit Südamerika; 1890 wurde das westafrik. Küstenkabel (von Lissabon bis Kapstadt) vollendet. (S. Kabel und Telegraphie.)
Litteratur. Rennel, An investigation of the currents of the Atlantic Ocean (Lond. 1832); Findlay, A directory for the navigation of the Northern Atlantic Ocean (ebd. 1873; 15. Aufl. 1895); ders., A sailing directory for the Ethiopic or South Atlantic Ocean (ebd. 1875; 9. Aufl. 1883); Kerhallet, Considérations générales sur l’Océan Atlantique (4. Aufl., Par. 1860); Thomson, The depths of the sea (2. Aufl., Lond. 1873); Hoffmeyer, Études sur les tempêtes de l’Atlantique septentrional (Kopenh. 1880); A. O. Ein Atlas von 36 Karten, die physik. Verhältnisse und die Verkehrsstraßen darstellend (hg. von der Direktion der Deutschen Seewarte, Hamb. 1882); Segelhandbuch für den A. O. (hg. von der Direktion der Deutschen Seewarte, mit Atlas, ebd. 1885); Mohn, The North Ocean, its depths, temperature and circulation (dänisch und englisch, 21 Bde., Krist. 1887); Agassiz, Three cruises of the Blake (Bd. 2, Lond. 1888); Die Forschungsreise S. M. S. Gazelle, Tl. 1 (Berl. 1889); Barker, Deep-Sea Sounding U.S.S. Enterprise (Neuyork 1892); s. auch die Litteratur zum Artikel Meer.
Panasonic DMC-FT2
____________________________________________
Хвала на посети, коментару / омиљеној fotografiji!
Merci pour une visite, commentaire / fave!
Gracias por una visita, comentar / fave!
Grazie per una visita, commento / fave!
Thank you for a visit, comment / fave!
____________________________________________
Please do not use this image without permission!
Het is dringen geblazen op de gemeenschappelijke kade van Metaal Transport, J.C. Meijers en Broekman op de Rotterdamse Heijplaat. De 6441 haalt vier schuifwandwagens van de kade en lijkt daarbij wel erg klein onder de kadekranen en naast de Arctic Express 'Nadezhda'. Het Russische schip is bijna klaar om naar Hamburg en Murmansk te vertrekken.
Dringe ein mit deinem Glanz
1.) Dringe ein mit deinem Glanz,
Geistes-Sonnenstrahl,
Komm, erhelle einmal ganz
Dieses dunkle Tal!
2.) Sünde schlingt ein mächtig' Band
Um das Menschenherz,
Komm, zerreiß den eitlen Tand,
Zieh uns himmelwärts!
3.) Zu der Wahrheit lichten Höhn
Ziehe uns hinan,
Mög uns ihre Luft durchwehn
Auf der steilen Bahn.
4.) Fülle uns mit heil'ger Glut
Deine Saat zu streun,
Lehr uns ruhn im höchsten Gut,
Und in dir uns freun!
5.) Drückt uns Leid des Pilgerstands,
Erdennot und Nacht,
Lass die Höhn des Vaterlands
Leuchten uns in Pracht.
6.) Und in allerbängster Not
Mach uns fromm und still,
Lehr uns gläubig auch im Tod
Sagen: Wie Gott will!
7.) So zum Ziel mit starker Hand
Leite unsern Geist,
Bis er dich, du Himmels-Pfand,
Einst im Jenseits preist.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Autor: Johannes Pestalozzi
Melodie: ohne Angaben
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Der Mensch und die Ewigkeit
924 religiöse Lieder
für wahre Gottesverehrer
Dritte Ausgabe
Verlag Otto Wigand
Leipzig, 1859
Liednummer 141
Thema: Pfingsten
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Johannes Pestalozzi, auch Johann bzw. Pestaluzz (* 1793 in Zürich/Schweiz; † 1876) war ein Schweizer evangelisch-reformierter Pfarrer und Lieddichter. Nach dem Studium der Theologie u. a. in Deutschland war er ab 1818 Vikar in Wipkingen und wurde noch im selben Jahr als Pfarrer nach Albisried berufen. Hieran schloss sich ab 1825 ein Pfarramt in Luzern an bis er im Jahr 1827 als Diakon (Zweiter Pfarrer) an die Predigerkirche in Zürich berufen wurde, wo er bis zu seiner Pensionierung im Jahr 1872 im Amt verblieb. Darüber hinaus unterstützte er die Einrichtung von Mädchenschulen und förderte die Einrichtung eines Seminars für Lehrerinnen in Zürich. Er verfasste u.a. eine Biographie des Reformators Ulrich Zwingli, die im Jahr 1819 erschienen ist, und schrieb geistliche Lieder. Die im Jahr 1859 in Leipzig herausgegebene dritte Auflage der Liedsammlung 'Der Mensch und die Ewigkeit' enthält das Pfingstlied 'Dringe ein mit deinem Glanz' von Pestalozzi.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++