View allAll Photos Tagged SnackStop
Dieser wunderschöne Anblick bot sich mir nach dem Abstieg vom Tressenstein, als ich aus dem Wald auf die Wiese trat. Natürlich beherrscht die Trisselwand in der Mittagssonne das Bild, aber auch die idyllisch gelegenen Wiesen am Tressensattel sind hübsch anzusehen. Gekrönt wurde diese Harmonie mit der Möglichkeit, im ehemaligen Gasthaus am Tressensattel einzukehren, das komplett renoviert wurde und vor kurzer Zeit als Jausenstation neu eröffnet hat.
This beautiful view presented itself to me after the descent from the mountain Tressenstein when I stepped out of the forest onto the meadow. Of course, the walls of Trisselwand dominates the picture in the midday sun, but the idyllic meadows at the saddle Tressensattel are also pretty to look at. This harmony was crowned with the opportunity to stop off at the former inn on the Tressensattel, which has been completely renovated and recently reopened as a snack stop.
VELUWEROUTE
ZEEUWSE INFORMELE LIGFIETS TOERCLUB TE GAST BIJ ZWOLSE PLATTE LIGGERS
GEZAMENLIJKE LIGFIETSTOCHT GEREDEN OP ZONDAG 3 JULI 2005
©Tarquinius Noyon
Op weg
Ik heb een onbestemd gevoel in de holte van mijn rug. Bovendien voelt het of er een te strak elastiek vlak boven mijn knieën zit – het lijkt alsof mijn bovenbenen afgekne¬pen worden. De trap aflopen gaat wat stijfjes, maar verder is mijn lijf in orde. Ook mijn fiets hangt ongeschonden aan de haken in de gang – ik noemde mijn M5 26”/26” al de Jaguar onder de ligfietsen, een toepasselijke vergelijking nu er een puma op de Veluwe schijnt rond te zwerven. Want dat is waar ik van¬daan kom. Op uitnodiging van de Platte Zwolse Liggers zijn drie leden van de Zeeuwse Informele Ligfiets Toerclub (ZILT) een rondje Veluwe gaan fietsen. De vier- tot zesdaagse fietstocht is in één dag afgelegd… Ik heb een trots nieuw per¬soonlijk afstandsrecord gereden van 280 kilometer! Maar daar moest ik wel wat voor doen…
Na mijn fietstocht naar Zandvoort enkele weken geleden had ik de uitnodi¬ging om de Veluweroute te rijden (verwachte afstand: 265 km) als te hoog gegre¬pen terzijde gelegd. Maar toen enkele weken later mijn vriend en medeZILTer Wim Harwig zei dat hij het gezellig zou vinden als ik hem zou vergezellen in zijn camper, was het zoeken van een startpunt in den verre natuurlijk verleden tijd. Met vleie¬rijen en andere aansporingen heeft hij me daarna verleid het door mij onmogelijk geachte te overwinnen en ziedaar: ik zit het verslag van een vol¬brachte tocht te schrijven!
Vrijdag 1 juli werd ik door Wim thuis opgehaald in een met teksten en namen van muziekanten en groepen opgesierde camper. Mijn ligfiets werd tegen de zijne achterop de fietsdrager gesnoerd. Fietstas, reistas, slaapzak en speciale mondvoorraad gingen mee en we reden langs Gorinchem en Amersfoort richting Zwolle, waarna we voor een bowlingbaan in Hattem parkeerden. Daar troffen we ook onze vriend Job aan met een vrachtwagentje dat hij als tijdelijk onderkomen had ingericht. ZILT was met drie man aardig vertegenwoordigd.
Het is behoorlijk laat geworden en om half vijf stonden we weer op om ons klaar te maken voor de tocht. Buiten regende het zacht… Net als Wim trok ik een korte fietsbroek aan (geen zeemleer!) en twee elastische hemden met korte mouw. Buitengekomen met het matje voor in het ligfietsbankje bleek daar water in te staan – ik moet er is twee gaatjes in boren ter afwatering. Twee, zodat ook als de fiets schuin geparkeerd staat het water uit het ‘kuipje’ weg kan lopen.
Onze gastheren
Plotseling waren de Platte Zwolse Liggers daar en haast was geboden. Toptas op de fiets, hoofdsteunkussentje, achteruitkijkspiegeltje op mijn brillenpootje ge¬monteerd, kilometerteller in het voetje (of schoentje?) geschoven en op nul gezet en tussendoor handenschudden en kennismaken.
Wim Ganseij kende ik al via internet en hij rijdt een korte Hurricane onder¬stuur. Peter Jasperse een Challenge Seiran. Bram van der Veen zit in een Alleweder, dat is een met aluminium omklede driewieler. Bert Bom bestuurt een Challenger Hurricane uit 1996. (Hij staat erop dat ik het jaartal vermeld) Tenslotte eigenaar-fabrikant van Nasca, Henk van der Woerd, die een prototype Fuego on¬der zich heeft. ZILTers zijn Job Coppoolse met zijn stalen Optima Condor, Wim Harwig met M5 Low Racer Carbon (Hier had Wim mij te pakken door dat valselijk op mijn aantekenbriefje te noteren. Toen ik de gegevens overnam dacht ik ook al: waarom heb ik dat nooit geweten? Hij rijdt ‘duidelijk’ een ouwe Zephir, corrigeerde hij later!) Ikzelf fiets met een M5 26/26 vervaardigd van chroom-molybdeen (Dat vind ik zo mooi klinken dat ik het hier nog eens wil opschrijven!)
Hoewel Wim koffie had gezet zit ik even later nog niet helemaal wakker op mijn fiets en gaat het in een sliert naar de door Eneco met borden geduide Veluweroute. Paden en wegen, soms rijden we achter elkaar, soms naast. Ik vind het vervelend de groep even op te houden als ik een geluid onder mij meen te ho¬ren en blijkt dat mijn voorspatbord tegen mijn band aan loopt. Een paar droge tikken met de vlakke hand en het euvel is verholpen. Later op de dag zal ik nog twee keer voor de gek worden gehouden door het rammelende geluid dat uit de achteras van de fiets van Bert Bom de Rijdende Ratelaar komt. Ik denk eerst dat het mijn spatbord is maar realiseer me dat het niet van mij komt. Hij rijdt verderop en dichterbij gekomen zwelt het lawaai aan. Hij heeft er wel een technische ver¬klaring voor, maar kennelijk geen technische oplossing en hij vertelt doodleuk dat hij er al zes jaar mee rijdt. Als ik naast hem fiets heb ik af en toe moeite zijn ver¬halen te verstaan boven het ratelen van drie en nog eens vijf loszittende onderde¬len, waar hij zelf geen last van heeft omdat het geluid achter hem en vooral zij¬waarts klinkt. Rijdende Rammelaar zou ook een toepasselijke naam zijn.
Het is ingetogener fietsen naast de fraai vormgegeven Nasca Feugo, waar¬over de eigenaar vertelt hoe hij na een periode van reizen in Midden- en Zuid Amerika met vrouw en kinderen de naam van deze indianenstam verbindt aan zijn ligfietsbedrijf. Later zal hij mij voorzien van Extran-poeder, een ondersteunend product voor in de waterzak.
Wim Ganseij weet dat ik verslagen maak van ZILT-tochten, hij leest ze mee op internet en hoopt ook nu op een verhaal. Na de inspanning van een halve dag fietsen is het vooruitzicht achter de computer de tocht te moeten reproduceren bepaald niet aanlokkelijk. Ik wordt voorzien van enkele blaadjes papier, zodat ik later tenminste niet alles uit mijn hoofd moet reproduceren… Vanaf dat moment heet ik helemaal de reporter te zijn en behalve fietsen en een enkele keer notities maken – mij worden steeds details en wetenswaardigheden verteld die ik maar in mijn verhaal heb te verwerken – wordt ik nu ook bij de stops gemaand de heren te fotograferen in plaats van enkele gezegende minuten tot mezelf te kunnen komen.
Het zijn me een stel mannen die Platte Zwollenaren, maar zij blinken vooral uit in een eindeloze serie platte banden, waardoor we erg begonnen achter te lopen op schema. Hierdoor vergaten ze wel eens dat de echte ruststops genoten moeten worden en niet met een flauw niet meer dan vijf minuten hoor! kunnen worden afgedaan. De vooraf in de planning uitgetrokken toeristische drie uur is vooral opgegaan aan veelal vermijdbare reparaties onderweg, waarbij ikzelf niet erg tot rust kon komen omdat mijn fiets noch ikzelf over een standaard beschik. Ge¬lukkig was reparatiemateriaal en vaardigheid in voldoende mate aanwezig. Tarquinius, schrijf op: Nivea helpt goed om een band te centeren! Huh? Om de hoogteslag eruit te halen! Langs de rand van de band loopt een ribbeltjesrand die evenwijdig moet lopen aan de velg, anders krijg je een onnatuurlijke bobbel! Aha, ja. De band moet eerst even lekker in de velg worden gemasseerd voor hij volle¬dig wordt opgepompt, dat is de eigenlijke clou. Die ribbeltjes zijn een hulpmiddel, de Nivea een lapmiddel. Zes lekke banden zijn er bij onze gastheren geweest, geen enkele aan onze kant. Na de derde werd me gevraagd of ik maar wilde ver¬melden dat het aan de Marathon Slicks (banden zonder profiel) lag. Mij is altijd verteld dat het valsspelen vooral de muzikant te verwijten is en niet de viool!
Er werd niet offroad maar all roads gereden. Af en toe leidde de route over onverharde wegen met soms genadeloze kuilen, die door vlekken zonlicht dat door het gebladerte viel moeilijk zichtbaar waren. Dan gebeurde voor mijn gevoel in mijn hoofd hetzelfde alsof ik een ongekookt ei in mijn hand een paar keer ste¬vig schudde, waarbij de dooier traag heen en weer klotst… Dan merk je dat je er al wat kilometertjes op hebt zitten.
De Veluweroute is een mooi traject met veel lanen, oude bomen, bossen, velden, door dorpen en langs de rand van steden. Hij voert over geasfalteerde B-wegen, aanliggende of vrij liggende fietspaden, onverharde bospaden en -wegen, kinderhoofdjes, klinkerpaden, tegelpaden, grindpaden en als je alles gehad denkt te hebben in het pikkedonker over versgestorte, enkeldiepe schelpenpaden.
Wij reden op de zondagmorgen door een uitgestorven landschap langs de plaatsen Wapenveld, Heerde en Erpe. In Zuuk werd ik op het verhaal gewezen van de wreker van Zuuk, een mysterieus figuur die het iedereen lastig maakte die ooit in contact was geweest met een zedenslachtoffertje of de hoofdverdachte, dat weet ik niet meer – ook hiervan moest ik maar melding maken! Ik heb natuurlijk onder het rijden niet ook nog een stompje potlood in mijn mond en een bloknoot op mijn buik. Af en toe grijp ik achter mij naar de drinkslang van mijn waterzak of naar mijn fototoestel en om dat allemaal tot een goed einde brengen tijdens het rijden is al lastig genoeg.
Koffiepauze
Door Vaassen gaat het boven Apeldoorn langs naar Twello, over De Wilpse Klei – aan de andere kant van de IJssel ligt Deventer – dan naar Gietelo. Allemaal markante streeknamen. Na Empe zijn wij uitdrukkelijk op de koffie genodigd bij de ligfietsminnende dierenliefhebbers van Animal Plus (www.animal-plus.nl), een dierenpension. Wij zetten onze fietsen op standaard of tegen de bomen en pakten wat te eten uit onze fietstassen. Er stonden voldoende stoelen op het terras en er was voor koffie en thee met koekjes gezorgd. Het was half elf – lekker na al die uren fietsen even te pauzeren en de verhalen kwamen los. Ik werd verzocht de ad hoc wijsheid van Bert Bom te noteren die luidde: De voorrijder is verantwoorde¬lijk voor het voorrijden, niet voor het volgen! Slechts na telefoneren waren we weer met onze ‘gids’ in contact gekomen. Hij zat intussen doodleuk al lang en breed op het gastvrije terras terwijl hij ons ‘volgers’ ongegeneerd had afgeschud en daarbij naderhand iedere aansprakelijkheid nadrukkelijk afwees. In de late avonduren zou ik daar nog eens mee te maken krijgen.
Hier sloot Sake Bloemhof zich bij ons aan met een wat later bleek in zeer slechte staat zijnde Nasca 26/26. Zowel voor- als achterderailleur waren slechts in geringe mate functioneel en na reeds enkele platte banden bij de Zwolse Liggers kreeg hij er een op de Posbank. Ik denk dat de theoretische wrijvingswinst die men behaalt met banden zonder profiel in het geheel niet opweegt tegen het voortdurend oponthoud dat dit band verwisselen een groep fietsers oplegt. Slicks zijn wedstrijdbanden, geen toerbanden. Dat is een conclusie die ZILT drie jaar geleden al heeft getrokken toen daar af en toe een lekke band viel te betreuren. Markeer bij zichtbaar lek de plaats van het ventiel op de band en onthoudt langs welke kant de band van de velg komt. Zo kan het lek op de binnenband veel mak¬kelijker worden gevonden of andersom: het steentje of ongerechtigheid die door de buitenband is gedrongen kan direct gelokaliseerd worden. Leg een nieuwe bin¬nenband om en leg een knoop in de oude, zodat die thuis nagekeken kan worden en niet verwisseld wordt met een nieuwe.
Ik was met één hand aan het fotograferen en had de andere aan het stuur, toen ik voor mij Wim Harwig naar rechts zag afslaan. Ik volgde hem en de weg bleek stijl omhoog te gaan, waardoor ik alle vaart en onherroepelijk mijn even¬wicht verloor. Ik ging om en kwam op mijn rechter elleboog terecht, terwijl ik gefocust naar mijn camera staarde die ik slechts aan een koordje over de muis van mijn hand vast had. Als een slinger schoot hij vlak langs het wegdek buiten ge¬vaar van vermorzeling. Ik schoof liggend de lens dicht en krabbelde verbouwe¬reerd overeind. De fiets is vanwege de zware toptas lastig overeind te krijgen als je hem niet aan het hoogste punt – maar beter niet aan het hoofdsteuntje – beet¬pakt. Even later stond ik op het uitzichtpunt van de Posbank en keek de diepte in over heiige heuvels. Op mijn walkietalkie, een gadget die me nog goed van pas zal komen, komt de melding van een vierde lekke band door. Nadat alles weer in orde is gemaakt gaan we weer op de pedalen.
Het is nu al een tijd erg heuvelachtig en we rijden door wat de kaart on¬heilspellend Onzalige Bossen noemt. Bij het binnenrijden van het landgoed Rosendael rijdt de Alleweder zijn tweede lekke band (slicks). Ditmaal hebben we uitzicht op een kasteel dat bekend is om zijn ‘bedriegertjes’, kunstig verstopte fonteintjes die in vroeger tijden de dames natte benen en de heren vrolijkheid moesten bezorgen. Wij nemen geen tijd dat moois te bezichtigen. Ik ga even op het gras liggen en bij het opstaan wreekt zich mijn dubbele agenda: behalve een lange fietstocht rijden heb ik mijzelf al anderhalve week op dieet gesteld. Ik ben een beetje draaierig en besef dat twee vervangende maaltijden per dag, hoe even¬wichtig samengesteld ook, mij niet voldoende kracht geven om dit evenement tot een bevredigend einde te brengen. Ik eet een halve proteïnereep en wil koste wat kost vermijden dat ik af moet haken. Mijn teller staat pas op honderdtwee kilometer.
Lunch
Om twee uur ’s middags zitten we op het terras van Restaurant Schoonoord in Oosterbeek. Na ampele overweging kies ik voor kippensoep met aspergepuntjes, een zeer gelukkige keuze. Na de eerste lepel weet ik dat dit me zeeën van goed zal doen en ik geniet van het licht zilte nat met groene stronkjes en flinters gerookte kip. Subliem! Even denk ik nog dat ik de intussen bestelde appelpannenkoek net zo goed had kunnen overslaan, maar bedenk dan dat een volgende eetgelegenheid zich later op de dag waarschijnlijk niet meer zal voordoen. Mijn pannenkoek wordt genoten met veel stroop en de mij aangeboden aardbeienjam uit een tube – een handige verpakking die ik tot dan niet kende. Ik lig de hele verdere tocht goed op stoom. We zullen pas om zeven uur aan het Veluwemeer nog een keer halt hou¬den. Verder zijn het haastige snackstops met een graai uit de fietstassen.
Door lommerrijke lanen rijden we langs Renkum en Wageningen, langs Rhenen en Venendaal en houden halt bij een kruising in een plaats die De Klomp heet. De garage/benzinepomp heeft een enorme klomp achter de ruiten staan. Er wordt afscheid genomen van Peter Jasperse. Sake is al eerder afgehaakt, want ondanks zijn heroïsche inzet is het ligfietsen zonder functionerende versnellingen hem toch teveel geworden.
Het oponthoud nodigt uit tot enige ravitaillering. Ik ontdek een buiten¬kraan en les mijn dorst. Zo spaar ik de Extran in mijn drinkzak voor later en drink ik eens wat anders dan steeds deze zoete drank. Verfrissend. De anderen gaan nu ook hun bidons bijvullen.
De borden wijzen de weg en we komen door Scherpenzeel, laten Amers¬foort links liggen en strijken neer in Hoevelaken. Dat is te zeggen: het groepje troept bij elkaar voor een kruising en ik zou zelf even neer willen strijken. Waarom gestopt wordt is me niet geheel duidelijk en het staan duurt me te lang. Ik ontwaar iets verderop een muurtje, stap er met de fiets aan de hand een beetje krampachtig op af, laat haar ertegenaan rusten, laat mijzelf met een zucht achter¬overzakken en sluit even de ogen. Vijf minuten later ga ik alweer rechtop zitten en maak enkele notities. Het is kwart over vijf en er staat 182 kilometer bij mij op de teller. Ik neem mijn laatste halve shake, het maaltijdvervangend middel. Zo even rusten doet wonderen voor mij. Anders dan bij de ‘voorrijder’, die mij vertelde zijn rusttijden liever te willen opsparen tot drie kwartier. We zetten ons weer in beweging en onder het rijden peuzel ik met kleine hapjes de bewaarde halve proteïnereep met limoensmaak als dessert – heerlijk.
Verderop wordt mij meelevend gevraagd of ik een stop wil inlassen, maar ik zeg dat ik waarlijk voldoende had aan dat korte moment van ‘loslaten’ op het muurtje. Pas na herhaald aandringen en mijn uitdrukkelijke belofte dat ik kenbaar zal maken als ik wil rusten, is de ander tevreden. Ik voel mij goed, maar ik geef toe dat ik niet weet hoe stuk voor stuk de anderen eraan toe zijn. Is dat wel de taak van de meefietsende ‘reporter’? Een rol die op me is gedrukt zonder dat ik daar nu zozeer voor kies. Ik moet zeggen dat eerder op de dag het vooruitzicht van het moeten reproduceren van onze belevenissen in de vorm van een verhaal mij bovenop de inspanningen van het fietsen extra zwaar vielen. De grote verwachting die de rond mij heen fietsende schare wat dat betreft had was verontrustend.
Fotograferen
Op dit moment van de dag liet ik mij echter niet meer dol maken en pakte mijn fototoestel van achter mijn hoofd, peuterde het uit het beschermhoesje dat ik een plaats gaf in mijn kangaroebuiltje en begon foto’s te maken. Met mijn linkerhand sturen en met mijn rechter afknippen. Ik heb tientallen foto’s gemaakt, niet alle¬maal even scherp, maar wel een aantal leuke plaatjes. Misschien dacht ik wel: als het verhaal niks wordt, dan kan ik ze tenminste de foto’s aanbieden…
Kilometers lang fietste ik met mijn camera in de hand of legde ik hem even weg op mijn buik. Voor ik hem weer had opgeborgen rijden we plotseling tussen drukker verkeer en komen we aan een stoplicht, waar we over moeten ste¬ken. Ik probeer half overeind te komen om mijn voeten op de grond te zetten. De band van de camera – die ter bescherming om het hoofdsteuntje geslagen is – be¬perkt mijn bewegingen. Mijn uitermate vermoeide benen hebben geen controle, kunnen mijn gewicht niet dragen en krampachtig mijn toestel omklemmend zak ik met fiets en al op mijn linkerzij. Voor de tweede keer vandaag val ik uit stilstand met mijn camera om de reportage compleet te maken in de aanslag – ditmaal naar de andere kant. Bram, die in zijn Alleweder naast mij staat, kijkt geschrokken over de rand van zijn voertuig en denkt dat er iets ernstigs aan de hand is. Ik ver¬geet weer een foto van mezelf te maken en krabbel op terwijl het groen geworden is. Ik stel hem gerust, berg snel mijn fototoestel op, hijs mijn fiets overeind en kijk intussen op mijn kilometerteller: 192 kilometer. We steken over.
In Nijkerk houd ik mijn teller nauwkeurig in de gaten. Honderdnegen en negentig punt vierendertig… Even later nog hoger en dan: de tweehonderd kilo¬metergrens! En dat over niet altijd even begaanbare wegen! Triomf voor het ik! Ik kondig de behaalde kilometerstand aan in mijn fietsende omgeving – allen hebben natuurlijk een iets andere meting, omdat men hedenmorgen van huis uit naar onze camper is gekomen.
Ik kopieer uit mijn schaarse notities: nu, op 202,88 kilometer zitten we (buiten aan een terrastafel) in de uitspanning ‘Hulkenstein’, waar ik chocolade¬melk ga nemen met slagroom! Het is 19.00 uur. (einde citaat) Ik ben met moei¬lijke loopbenen de velletjes papier uit mijn fietstas gaan halen en heb op mijn kilometerteller gekeken. Ik neem het er van: door een misverstand van de serveuse ben ik ook een van de mensen die vooraf een glas melk krijgt, dat ik met plezier leeg drink. Daarna komt mijn tosti hamkaas en tenslotte een gloeiende chocomelk met een afdeklaag van slagroom. De anderen kiezen grote of kleinere maaltijden of dranken. Waar nodig worden de waterzakken weer bijgevuld en er wordt binnen afgerekend. Dat het nachtwerk wordt heeft ondertussen een ieder begre¬pen. Ik laat mij door die wetenschap niet ontmoedigen.
Jakkeren
Bij het vertrek heb ik moeite op het ligfietsbankje te gaan zitten en tot een lig¬gende houding ‘af te rollen’. Er schieten pijnscheuten door mijn bilspieren. Als ik onderweg ben doen ook mijn bovenbenen en knieën pijn. Honderd meter verder bij het eerste stoplicht vraag en krijg ik een zetje dat me een beginvaartje geeft en ben ik weer op gang. Het fietsen gaat voorzichtig beter maar een aantal kilometers verder zak ik bij het stilstaan door mijn linkerbeen en daarmee weer op mijn lin¬kerzij. Mijn fiets met de zware toptas gaat ook weer om. Overeind kom ik door op mijn knieën om te rollen en ik kan met moeite gaan staan. Een vreemde gewaar¬wording allemaal, maar ook weer niet zo vreemd. Ik zit al veertien uur op de fiets…
Nu gaat het langs het strand van Nulde aan het Veluwemeer. Het enige dat erop zit is doortrappen en ik lijk er weer veel plezier in te krijgen. De hele dag al hebben we te maken met lange glooiingen. Als ik boven dacht te zijn en minder zwaar te hoeven trappen, bleek ik het zoveelste vals plat op te rijden en bleef de inspanning voortdurend aanzienlijk. Eerst had ik door verschakelen mijn ach¬ter¬ligger Job in de weg gezeten op het vrij smalle, aan beide zijden begroeide fiets¬pad. Nu echter leek het vals plat meer naar beneden te hellen en ik zette op die momenten mijn beide derailleurs in de hoogste versnelling en peesde de flauwe glooiingen af. Kicken! Bert reed een eind voor mij uit (de voorrijder die niet ach¬terom kijkt) en het was een sport hem bij te houden, wat mij inderdaad lukte. Van Job hoorde ik later dat hem dat met mij maar ten dele is gelukt.
Maar nu komt het mooiste: ik had die avond al eerder naar de camera ge¬grepen en dat deed ik nu ook. Met ijzige koelbloedigheid stuurde ik met mijn lin¬kerhand en fotografeerde ik, toen ik door kreeg hoe hard ik eigenlijk ging, ook een paar keer mijn kilometerteller tot ik niet meer durfde omdat de snelheid nog hoger opliep. Dan legde ik het toestel op mijn buik en ging met beide handen aan mijn stuur. Ook waren er natuurlijk periodes dat er weer stevig bijgetrapt moest wor¬den, de volgende glooiing op. Ik leerde dat ik dan niet eerst moest terugschakelen, want ik ging dan nog zo hard dat ik een enkele keer wild in het luchtledige heb getrapt, omdat ik nog geen weerstand van de ketting op het wiel ondervond. Dus zo zwaar mogelijk beginnen en dan langzaam terugschakelen naarmate ik weer hoger op de volgende heuvel klom. Dat schoot op! De foto met de hoogste snel¬heid is die van 42,7 kilometer bij een afstand van 221,37 kilometer, maar twee¬handig ging ik harder.
Genieten
Vele kilometers racete ik achter de ‘voorrijder’ aan, terwijl ik ook poogde om de omgeving en zelfs mijzelf vast te leggen. Tja, je moet je toch met wát vermaken als je de hele dag op de fiets zit! Ik heb een aantal zelfportretten gemaakt en de voorbijsnellende omgeving gefotografeerd. Ik moest daarbij uiterst geconcen¬treerd blijven op de weg en me terdege bewust blijven dat ik maar met één hand mijn ligfiets bestuurde en daardoor betrekkelijk kwetsbaar was. Het fietspad bestond echter uit een goed geasfalteerd doch vrij smal lang lint dat tussen ver¬schillende landschappen leek uitgerold. Naald- en loofbosjes, struikgewas en an¬dere ruigte, weilanden en hei wisselden elkaar regelmatig af. Dat alles langs het pad afgelijnd met enkel- of dubbelzijdig struweel en bomen.
Toen doemde er een waarschuwingsbord op, de situatie veranderde en het jakkeren was plotseling voorbij. Er stond een hekkensluis over het pad, wij hiel¬den even halt en pas na een hele tijd kwam Job me achterop rijden. Dat was het moment waarop hij mij vertelde dat ik maar moeilijk bij te houden was geweest. Ik had behoorlijk doorgefietst! Toen de troep weer compleet was – we waren nog met zijn zevenen – sloegen we op aanwijzing van het routebord en achter onze ‘voorrijder’ – die de weg hier kennelijk goed kent – linksaf tussen de heuvelach¬tige hei een zand¬pad in recht op de zonsondergang af. Een plaatje! Met mijn kun¬stenaarsoog trof mij de even verderop staande solitaire boom en ik greep dan ook gelijk achter mij naar mijn fototoestel. Het was op dit pad lastig sturen met één hand, maar het lukte mij om mijn digitale camera op tijd uit het hoesje te wurmen en aan het rekenen te krijgen. Ook hield ik haar tijdens het rij¬den goed op het on¬derwerp gericht en gelukkig stil genoeg om een fraaie laatste foto van de dag te kunnen maken. (zie foto’s)
We fietsten nu een tijd door de in avondlicht gesluierde heide, ook weer een bijzondere ervaring. Ik bedacht me dat het later tussen de bomen lastig rijden zou worden. Ik had immers mijn hoofdverlichting thuis gelaten en alleen mijn ‘koplamp’ bij me. Dit is een grapje dat enige uitleg behoeft. Ik heb een Mirage setje met zware accu en een dubbele koplamp – één van vijf en een van twintig watt – die ik niet bij me had en daarnaast een type mijnwerkerslamp met ledjes (in serie geschakelde laagwattagelampjes) die ik nog niet in vergelijkbare omstandig¬heden – zonder bijverlichting van lantarenpalen – had getest. Maar ja: wie dan leeft, wie dan zorgt. Ik bleef dus genieten van de omgeving en het was naar mijn smaak veel te snel voorbij. De omgeving veranderde weer en inderdaad gingen we opnieuw tussen en onder de bomen rijden, totdat de route tenslotte weer over ge¬wone kleine wegen leidde. Wij hielden halt omdat sommigen een jackje aan wil¬den trekken en hoewel ik het nog warm had deed ik ook een jasje aan en zelfs – in navolging van anderen – een lange elastische fietsbroek over mijn korte. Zo hoefde ik later niemand op te houden. De nacht inrijden met warme benen is toch een luxe die mij goed is bevallen. Mijn fiets stond tegen de heg van een boerderij, het begon nu echt te schemeren en voor het opstappen knipte ik mijn onafhanke¬lijk brandend achterlicht aan. Om nu al de elastieken banden van mijn ‘koplamp’ over mijn hoofd te trekken zag ik nog tegenop en ik stopte hem in de binnenzak van mijn jasje.
Later, in het donker rijdend, dacht ik dat ik afgezien van de enkele notities die ik had ge¬maakt alleen maar over de periode in de duisternis zou kunnen schrijven. Zo lang was de dag geweest en zo ver op de achtergrond waren de eer¬dere indrukken geraakt en drongen nieuwe zich op. Maar met behulp van die aanteke¬ningen en ondersteuning van de kaartjes uit Wim Harwig’s Global Positioning System, aangevuld met een ander interactief kaartje van internet
[http://www.enecoveluweroute.nl/routekaart/index.php?zoomifyZoom=-1]
ben ik nog niet eens in de nacht aangeland! Ik hoef het maar allemaal achter el¬kaar op te schrijven, maar ik zal dit verslag uiteindelijk ook over moeten lezen en fatsoeneren. In dit stadium zou het volledig overlezen teveel ophouden en de vaart en de zin van het verder schrijven maar in de weg staan.
Mijn ‘koplamp’
Ik voegde me ergens in de sliert ligfietsers en als de breedte van de weg het toeliet – we reden even niet over fietspaden – konden we naast elkaar rijden om te in¬formeren hoe het de ander verging na al die uren fietsen. Soms reden we op een fietspad naast een weg waar nu ook de lantarenpalen van brandden, dan weer ver¬dwenen we uit de periferie van dorpen en werd het echt heel donker. Bij een kruispunt waar ik even moeite had om weg te komen besloot ik mijn ‘koplamp’, een compacte zaklantaarn met vijf blauwachtige ledlampjes, op mijn hoofd te zetten. Job was zo vriendelijk even achter te blijven en samen fietsten we de ande¬ren weer achterop. Meestal hoef je als je voorgangers rustig rijden geen extra haast te maken, want er komt altijd een moment dat de voorsten moeten stoppen om bijvoorbeeld op de kaart te kijken en op dat moment haal je ze makkelijk in. De groep reed echter vooral op aanwijzing van routeborden, dus het duurde even¬tjes voor we op hen in waren gelopen.
Ze wachtten op ons aan de ingang van weer een donker fietspad en Bert Bom, inmiddels reeds gepresenteerd als ‘voorrijder’, zag mijn blauwachtige, hoog gedragen lamp en vroeg me of ik achteraan wilde rijden. Dat gaf mij de functie van hekkensluiter en hem een makkelijk herkenningspunt van laatste rijder.
Omdat de tijdsduur van de tocht te kort was ingeschat, had niet iedereen verlichting bij zich en nu profiteerden deze fietsers van het in slang rijden. Zelf had ik mijn veel zwaardere verlichting – zowel qua kracht als gewicht – ook thuisgelaten. Ik had mijn hoofdlamp nog maar net en had hem eigenlijk alleen in verlichte straten getest, waar hij goed voldeed en ik vooral zichtbaar was voor mijn omgeving, vaak tot grote hilariteit van de avondwandelaars. In de donkere omgeving – en het werd echt pikdonker, want er was ook geen maan – was hij echter minder effectief. Niet alleen scheen hij onvoldoende op het pad voor mij, hij scheen vooral op mijn bewegende benen en schoenen en de fluoriderende tip¬pen daarvan. Mijn voeten leken daardoor wel dansende vuurvliegjes in het donker van de nacht.
[Wim Harwigs’s commentaar: Dat je jouw enorme maat zevenenveertig sportschoenen vergelijkt met twee dansende vuurvliegjes, dat gaat me te ver ! Ik heb het zelf gezien: Hoe jij met vijf voluit brandende LED's op je voorhoofd niets anders zag dan twee engelse kolenschoppen met vlak daarachter twee als eiken zo dik gespierde bovenbenen. Die gingen tekeer als twee grote stoomcilinders, waar enorme stoomwolken vanaf vliegen. Ongelooflijk dat het M5 gelukt is , om voor zulke krachtpatsers fietsen te maken die dat overleven. Jij zag dus met je ene gezonde oog alles van jezelf wat bewoog, maar niet de inktzwarte nacht vlak voor je fiets.]
Ik kon mijn lamp ook op één ledje laten branden maar ik liet hem op volle sterkte, zodat ik vooraan gezien kon blijven worden. Het had iets feeërieks de an¬deren voor mij uit te zien rijden, ieder met een verschillende vlek licht voor zich uit en ook allemaal andere achterlichten die schijnbaar in één vlak bewogen. Op de gewone wegen kon ik goed volgen en bovendien waren op sommige trajecten af en toe straatlantaarns. De smallere fietspaden met stoepranden gaven iets meer problemen.
Moeilijker werd het als we weer buiten het woongebied kwamen. Met slechts zicht in één oog zie ik geen diepte en alle lampjes bevinden zich daarom in een enkel (zwart) vlak. Het is dus zaak de voorganger goed bij te houden en zo¬lang ik in zijn spoor blijf is er geen vuiltje aan de lucht.
Nu hoopten de fietsers zich weer op voor een andere fuik: we zouden een grindpad – of waren het schel¬pen? – oprijden, dat volgens mij nog maar net gestort en niet aangestampt was. Tussen griezelige paaltjes met (prikkel?)draad die in mijn lamp oplichtten reed ik door een laag knerpende kiezels die wel tien centimeter dik leek. Ik heb ze nooit gezien, maar het leek of ik met iedere pedaalslag een stukje vooruitkwam in een ballenbak en alsof ik na iedere dertig centimeter vooruit daarna weer naar beneden zakte. Aangezien iedereen moeite had, vertraagde het tempo en moest ik als laat¬ste wel heel veel vaart minderen, wat het evenwichtsgevoel bepaald niet bevor¬derde. Ik zwiepte dan ook met mijn stuur van links naar rechts en mijn voorwiel ploegde met veel geweld door de dikke laag kiezels (of schelpen) Het was werke¬lijk eerste prijs langzaam rijden en ik was vastbesloten me niet tot stoppen te laten dwingen, want ik wist dat ik uit deze grindhoop nooit meer fietsend weg zou kun¬nen komen en dan het laatste stuk zou moeten lopen. Ik meen me te herinneren dat we twee zulke stukken hebben getrotseerd voor we weer een normalere onder¬grond onder onze wielen kregen.
Donker bospad
Totdat: een kronkelend bospad. Voor ik er erg in had, want je wordt over de schouder al rijdend gewaarschuwd, was er linksaf een aarden pad tussen de bo¬men dat akelig smal oogde. Aan één kant was het afgebakend met betonnen hek¬werk en prikkeldraad, aan de andere kant stonden de een na de andere boom tot bijna op het pad. Ik dook achter de voorlaatste fietser aan en bemerkte dat het pad ook heel bochtig was. Ik geloof dat ik nog moest stoppen omdat voorin de boel stagneerde en toen ik weer weg wou rijden was mijn gidsachterlicht de bocht om en kon ik met moeite mijn weg vinden. Eerst bleef mijn linkertrapper achter een betonnen paaltje haken, toen schaafde ik langs een boom. Ik riep in het aardedon¬ker voor mij uit dat ik moeilijkheden had. Na nog enkele pogingen, alleen bijge¬staan door het zwiepende licht op mijn hoofd, werd ik een beetje moedeloos en schuifelde met mijn fiets tussen mijn benen het bospad uit en een weg op.
Daar aangekomen was ik teleurgesteld dat niemand op mij had gewacht en zo ver het oog reikte in de nacht was er van enig licht van fietsers niets te zien. Zonder een aanwijzing te vinden nam ik maar aan dat men rechtsaf was geslagen en ik zette de achtervolging in. Een bocht naar links, een kruising – nog steeds geen bord, dus nam ik aan dat ik rechtdoor moest – en even later weer een krui¬sing en een bocht zonder aanwijzingen. En niemand te zien of te horen, hoe ik mijn oren ook spitste. Ik besloot niet verder door te rijden en bedacht dat ik anders ook buiten het bereik van de nog maar enkele dagen geleden aangeschafte wal¬kietalkie zou geraken. Aan die oplossing had ik nog niet gedacht en ik besloot een oproep te doen. Ik drukte op het oproepsignaal en sprak in de microfoon. In de pikdonkere nacht over mijn fiets heen staande deed ik vele malen een oproep – oproeptonen en spreken – zonder een antwoord te krijgen. Totdat ik plotseling vaag Wim Harwig hoorde antwoorden, die mij kennelijk tegemoet kwam rijden. Een hele opluchting!
We spraken af dat ik mijn route zou terugrijden en Wim was ondertussen bij de uitgang van het bospad aangekomen. Ik moest nog goed opletten om in het donker de goede weg terug te vinden, maar na een paar keer stoppen en mijn licht achterom schijnen heb ik de terugweg gevonden. In de verte zag ik Willem’s fietslamp schijnen (een acculicht) en ik hoorde hem op mijn walkietalkie aankon¬digen dat ook hij mij zag. De weg tussen ons in was echter geen rechte, want plot¬seling voelde ik bobbelig gras onder mijn wielen. Ik moest afremmen en weer op de weg zien te komen. De radioverbinding had zijn diensten bewezen en opge¬lucht reed ik even later achter Wim’s achterlicht aan. Hij vertelde mij dat hij eerst alleen de oproeptoon had gehoord maar geen oproep. Toen besloot hij terug te rijden en ving mijn stem eerst zwak en later steeds sterker op. We moesten nog een heel stuk rijden voor we de anderen hadden bijgehaald.
Zij stonden ons op een boslaan vol kuilen op te wachten. Ik vond het spijtig dat ik de boel had opgehouden maar aan de andere kant, wat heb je aan een gids die het motto hanteert: De voorrijder is verantwoordelijk voor het voor¬rijden, niet voor het volgen! Zelfs na de uitdrukkelijke afspraak de groep bij el¬kaar te willen houden met behulp van het herkenbare licht van de laatste man, was hij zonder omzien kilometers doorgereden.
Dit was wat mij betreft het laatste incident van de tocht.
Laatste stukje
Ik zorgde ervoor dat ik twee plaatsen opschoof, ging weer achter Wim aan rijden en bleef vasthoudend op mijn positie. Ik had er geen erg in dat hij vanwege mijn naar voren schijnende koplamp zijn buitenspiegels moest verzetten om niet ver¬blind te worden en schakelde mijn licht dan ook niet op een lager niveau. In de buurt van onze bestemming gekomen namen wij onderweg weer afscheid van enkele fietsers. Sommigen moesten nog een flink eind naar huis rijden.
Om kwart voor één tenslotte kwamen we bij de camper en Jobs vrachtwa¬gentje in Hattem aan. Ik remde af, stond recht en zwaaide mijn rechterbeen over de trapperstang. Het lopen ging moeilijk en ik zette mijn fiets tegen een lantaren¬paal. Wij namen har¬telijk afscheid van onze resterende gastheren en feliciteerden elkaar met de volbrachte tocht. Wim deed zijn camper open en ging koffie zetten, wat ik maar een vreemd idee vond. Ik maakte zoals mij was aangeraden een shake (maaltijdvervanger) voor mijzelf, om de verbrandde energie aan te vullen, sneller op krachten te komen en minder last van mijn spieren over te houden. Ik bood de anderen er overigens ook een aan, maar dat werd afgeslagen. Wim had kampeer¬stoelen bij zich. Ik ging met enige moeite zitten en wist dat het mij meer moeite zou kosten om weer over¬eind te komen.
Ondertussen werd het half twee. Op de hoofdweg hield de politie een vrachtwagen aan en wij begrepen dat er ook belangstelling voor ons zou komen. Inderdaad kwam de met strepen gemarkeerde auto enige tijd later de zijweg in en het parkeerterrein op rijden om bij ons stil te blijven staan. Er werd niets ge¬vraagd, alleen gekeken. Wij knikten inde richting van de auto, daarna reed hij weer door de hoofdweg op. Wij wisten dat ze ’s nachts nog eens terug zouden komen en zowel Job als Wim besloot op een andere plaats te overnachten. Wim koos voor Ermelo, waar hij de volgende dag een afspraak had en waar we pas om half vier voor de deur parkeerden en in onze slaapzak kropen. De koffie was toch een prima keus geweest!
De volgende dag liep ik nog wat moeilijk maar had aanzienlijk minder last dan de avond ervoor. De dag daarop ging het alweer beter – getuige de eerste woor¬den van dit verhaal – en daarna was het over. Misschien was ik nog wat loom de dagen daarna, maar eigenlijk ben ik dat vergeten. Wat onvergetelijk blijft zijn de mensen, de landschappen, de uren op de fiets en nadien de trots dat ik deze tocht heb kunnen rijden.
Rest mij nog te zeggen dat ik ook dankbaar ben te ontdekken dat – ook zonder een buitengewoon sportief verleden – mijn lichaam het nog allemaal aankan.
Dat maakt me gelukkig.
©Tarquinius Noyon – 2005
Einde
I took a ride to Forest Park earlier today. I rode a mildly circuitous, hilly route through Goose Hollow up the fun climb up to the gate where NW Thurman St becomes NW Lief Erickson Drive. I rode to the western or northwestern end of NW Salzman Road where it meets Skyline Drive.
I turned around there for the descent back home.
On Colton Road near Rugeley. Shortly after arriving at Rugeley Trent Valley Station
Rugeley Trent Valley is a railway station located on the outskirts of Rugeley in Staffordshire, England. It is one of two stations serving Rugeley, the other being Rugeley Town. The Trent Valley station is within the Colton parish, on the opposite side of the River Trent from the town of Rugeley. London Midland operates the station, and all trains serving it; a passenger-operated self-service ticket machine has been placed at the station entrance (which is on the southbound (Rugby-bound) platform).
It is a minor station on the Trent Valley section of the West Coast Main Line. It is also the junction with the Chase Line from Birmingham and Walsall.
Banners: You are now on camera, snack stop, No railway parking
Gail, Debbie and I stopped here for a sandwich before completing our 13 hour trip from Houston to Kansas City. A couple in a pick-up truck immediately stopped to ask us if we were alright or if we needed help. Kansas Nice.
I took a ride to Forest Park earlier today. I rode a mildly circuitous, hilly route through Goose Hollow up the fun climb up to the gate where NW Thurman St becomes NW Lief Erickson Drive. I rode to the western or northwestern end of NW Salzman Road where it meets Skyline Drive.
I turned around there for the descent back home.
I took a ride to Forest Park earlier today. I rode a mildly circuitous, hilly route through Goose Hollow up the fun climb up to the gate where NW Thurman St becomes NW Lief Erickson Drive. I rode to the western or northwestern end of NW Salzman Road where it meets Skyline Drive.
I turned around there for the descent back home.