Ronald Rugenbrink
De sage van de Deventer Bergkerk
De sage van de Bergtoren van Deventer:
Twee torens staan er op de Bergkerk van Deventer, en men zegt, dat
de eene iets grooter is dan de andere. Van twee zusters vertelt men,
haar namen waren: Martha en Beatrix.
Eens waren ze gelijk van rijkdom, gelijk van vroomheid. maar Martha
was iets grooter dan Beatrix, en daarom verschillen ook de torens
der Bergkerk van lengte, zoo vertelt de sage.
Nooit speelde Martha zonder Beatrix, Beatrix zonder Martha, toen ze
kinderen waren. Tezamen zochten ze de bloemen aan den zonnetintelenden
IJsel, de madelieven en de boterbloemen, eeuwig 't eerste wonder des
levens voor alle kinderen van Nederland.
Het was Palmpaschen, en beiden hadden ze een vogeltje van brood op
een stokje. Ze zongen hetzelfde liedje:
"Palm -- palm -- paschen
Eikoerei -- eikoerei,
Noe nog ꪮe Zundag
En dan kriege we 'n ei
En dan kriege we 'n ei
ɩn ei is geen ei
Twꪠei is een half ei
Drꪠei is een Paaschei."
Het was Pinksteren, en ze dansten, hand in hand, met de anderen om
de Pinksterkroon. Het was Paschen en ze stonden bij de vuren, die
allerwege laaiden. Ze hadden later, toen ze jonge meisjes werden, de
herinneringen der jeugd gemeen, en daarom hadden ze elkander lief. Ze
behoefden hierover nooit met elkander te spreken: eensgezind waren
ze zonder woorden. Zoo bereikten ze den leeftijd, dat het verlangen
naar liefde liefelijk is, en een teeder, nooit-gezegd geheim.
Er kwam uit verre streken een ridder, die al veel liefde in zijn leven
had gekend. Dit was te zien in zijn oogen, die een diepen glans hadden,
en het was te hooren aan zijn stem, vroolijk als dansmuziek. Hij
was niets dan jeugd. Hij was voor ieder, die hem tegenkwam, gelijk
een blijde herinnering. Het duurde niet lang, of Martha en Beatrix
ontmoetten hem, en beiden lachten ze om zijn leutig wezen, de liedjes,
welke hij zong, en de grappen, die hij bedreef. Gezamenlijk bespraken
zij het, hoe schoon van gestalte ze hem vonden, en ze waren beiden
gaarne in zijn gezelschap. Toen kwam de dag, dat Martha over hem zweeg,
en Beatrix alleen over hem praatte.
"O! bleef hij hier, instee van verder te gaan -- " zoo zeide Beatrix
-- "want in Deventer is er geen, die aan hem gelijk is, vindt gij wel,
zuster? 't Schijnt me, of voortaan mijn leven zonder hem dor zal zijn,
ja, ge zult mij wel gelooven, als ik u zeg ... dat ik soms verlang:
"o! had ik hem niet gekend."
Maar eens hoorde Beatrix in de kamer, waar ze met Martha sliep, zacht
snikken, en verschrikt vroeg ze, waarom haar zuster weende. Ze kreeg
geen antwoord, en den volgenden morgen herhaalde ze haar vraag.
"Ik geschreid?" glimlachte Martha. "Dat beeldt gij u in. Den ganschen
nacht heb ik rustig geslapen."
Beatrix nu geloofde haar. Eenige maanden later echter hoorde ze
wedernacht schreien, en daarom vroeg zij, waarom Martha leed. Hoe
verwonderd was ze, toen deze haar rustig zeide, dat er niets was,
en dat ze slechts even wakker had gelegen.
Spoedig zou Beatrix dit alles vergeten. Want ook voor haar kwam het
leed. Een dag zeide haar de ridder:
"Ik moet u verlaten, zoete Beatrix."
Na dien weende zij in den nacht. Maar zij ontkende het niet, toen
Martha haar zeide, dat ze haar had hooren schreien.
Ze boog zich over tot haar zuster.
"Heb ik 't u niet gezegd," zoo klaagde zij, "dat 't beter ware geweest,
als ik hem nooit gezien had! Ay mij -- zusterlieve -- het is mij
niet wel te moede. Ik ben angstig om te leven. Zou de dood nabij mij
wezen? Ik voel geen krankheid, maar o! het is mij, of ik erger ben
dan ziek, en of ik voortaan alle nachten zal schreien." Martha nam
hare hand, en streelde ze. Vast klonk haar stem.
"Ge hebt te veel over den jongen ridder gedacht, die Deventer
verlaat. Beatrix! luister niet naar zijn stem, en volg hem niet over
de wegen, die hij kiest. Blijf bij uw zuster, die u meer liefheeft
dan hij, en bij wie ge veilig zijt."
"Ik zal niet naar hem luisteren," zoo beloofde Beatrix.
Ze ontmoette hem den volgenden dag niet, doch den daaropvolgenden
zocht ze hem. Het was op een stille plaats bij de rivier, waar de
vlugge Koerhuisbeek in den IJsel valt. Daar smeekte ze hem, om de
stad te verlaten, zoo spoedig mogelijk.
"Waarom dan -- " lachte hij lichtzinnig, "zijt ge bange voor mij?"
"Ik weet niet waarom -- ik weet niet waarom -- maar mijn hart
dringt me -- ik ben bange voor u -- ga heen -- blijf -- ga
heen -- "
Hij zag haar aan, en hij vond haar schooner dan eenig meisje, dat
hij ooit had gezien. Hij dacht erover na, hoe dwaas het zou zijn,
alleen verder te trekken, en haar in de stad achter te laten. Hoe
had hij niet eerder ontdekt, hoe waardig ze was tot liefde, en koen
beschouwde hij haar.
"Beatrix," zoo lachte hij, "ik zou niet heengaan, als gij in de stad
blijft, want ik zou geen rust meer kennen, en aan Deventer moeten
denken als een moede vogel aan zijn nest. Ik kan niet meer zonder u
en toch moet ik u verlaten."
Zijn stem werd angstig, terwijl hij haar handen in de zijne nam.
"Vaarwel, Beatrix -- vaarwel! Ik min u -- vaarwel! Gij zult
nooit meer vragen, waar ik ben, en toch, waar ik ben, zal ik aan u
denken. Als ik gewond word, en mijn wonden mij pijnigen, zal ik naar
uw zachte, troostende handen verlangen -- "
Ze zag hem aan.
"Heb mij niet lief," smeekte ze, "heb Martha lief."
Rustig antwoordde hij.
"Martha kan ik niet lief hebben. Nooit denk ik aan Martha, zonder
aan u te denken. Doch laat ons van elkander gaan, en elkaar nooit
weer zien. Vaarwel, Beatrix, en vergeet me."
Ze staarde voor zich uit, en in haar ooren klonk de stem harer
zuster. Was ze bij Martha veiliger dan bij den ridder? Angstig
vluchtte ze, zonder hem te antwoorden. Bij Martha schreide ze, en
ze bekende haar alles, ook, dat ze hem had gevraagd, om Martha lief
te hebben. Martha vroeg niet, wat de ridder had geantwoord. Ze sloot
haar in de armen.
"Vergeet, zusterlief. Vergeet hem, of ge zult uzelf vergeten."
"Ik zal hem vergeten."
Hij reed 't huis voorbij, en ze hoorde zijn stem. Doch ze trad niet
naar buiten. Verre klonk zijn lied.
"Het waren twee conincskinderen,
Si hadden malkander soo lief
Si konden bi malkander niet komen,
Het water was veel te diep."
Angst was er in haar hart, na haar belofte, dat zij hem vergeten
zou. Bovenal waren voor haarde nachten vreeselijk. Zoodra het donker
werd, en zij probeerde te slapen, werd de nacht een levend, dreigend
wezen voor haar, en met wijdopen oogen staarde ze naar de vreeswekkende
gedaante, die zich over haar heenboog, met wreede stem roepende:
"Vergeet hem, dien ge niet vergeten kunt. Spoedig zal hij heengaan, en
beiden zult ge eenzaam zijn. Als hij gewond is, zijt gij niet bij hem."
Soms spotte de nacht met haar.
"Ge zijt hem toch vergeten, hoe komt het dan, dat ge aan zijn naam
denkt? Beatrix, meent ge, dat ge gelukkig zult worden, als ge in een
klooster gaat, want ge zult toch niet hier blijven wonen, waar ge
hem iederen dag hebt gezien? Zal ik hem u eens vooveren?"
Dan trad de gedaante van den nacht terug, en in den luister des
lichts stond rank en recht de jonge ridder. Als zij de armen naar hem
uitstrekte, verdween hij weder. Eens kwam er een visscher voorbij
haar huis, die aan de deur klopte. Hij liet haar een visch zien,
dien hij gevangen had, en hij vroeg haar, of ze dien wilde koopen,
voor den maaltijd van haar en haar zuster.
"Hoeveel deze visch?" vroeg ze, bereid tot koopen.
Instee den prijs te noemen, begon hij te lachen. Zij riep driftig:
"Neem den visch weer mede, en ziet, dat gij hem verkoopt, waar gij
niet lachen zult."
"Moet ik dan niet lachen -- als ik in dienst van een rijk heer sta?"
"Ik heb met uw grappen niet van doen. Ga heen."
"Ik zal heengaan," sprak hij, "maar niet, voordat ik u heb gezegd,
dat morgen vden avond mijn heer u wacht -- bij de Koerhuisbeek
-- waar ge hem al eerder hebt ontmoet."
Ze legde de hand aan haar hart. Ze zeide met zachte stem:
"Zeg den ridder, dat ik niet zal komen."
"Hij doet u weten," hernam de visscher, "dat hij Deventer wil
verlaten. Hij is er zeker van, dat ge komen zult, en nog iets droeg
hij me op, u te zeggen: ge zult er niet met uw zuster over spreken."
"Dat had ik nu niet gedaan -- maar zeg uw heer, dat hij alleen zal
trekken, en mij niet wachten zal."
"Mijn heer heeft gezegd, dat ik u dezen edelsteen tot pand zal reiken,
van groote waarde. Ge moogt dien behouden, ook al komt ge niet. Doch
de steen is hem een bewijs, dat ge hem niet zult laten wachten."
Ze bezag den schitterenden steen, en ze week terug. Want hij lag,
vloeiende van verleidend licht op haar hand, en ze wist, dat hij
haar liefde hooger schatte dan aardschen rijkdom. Toen wendde ze haar
gelaat af van deze flonkering.
"Geef den emerant aan uwen heer terug, want ik wil hem bewijzen,
dat ik niet komen zal. Zoowaar ik u den steen geef, zoo waar zal ik
niet komen."
"Behoud den emerant," sprak de visscher, "daar hij van u is. Ik heb
geen recht hem terug te vorderen. Mijn heer verwacht u."
Hierop vertrok hij met den visch. Beatrix bleef alleen achter, en
nu ook was het licht genadeloos voor haar, en de dag was een wreede
gedaante, een reus met vreeselijke stem, die zijn groote handen zwaar
op haar schouder legde. Ze zocht rust in den schemer van haar huis,
bij Martha, hare zuster, doch de dag volgde haar met onbarmhartigen
tred en gebaar. Ze hoopte, dat de nacht wel troost zou brengen, en
haar van den druk zou bevrijden. Al kwam loom de nacht, eerst met
zware groeven en voren van het avonddonker door den glans, toen met
volle duisternis, geen verandering bracht hij voor haar, want even zoo
huiveringwekkend boog hij zich over haar heen. Ze kende geen slaap,
ze moest denken met bonzend voorhoofd aan den morgen, en den ridder,
die haar bij de Koerhuisbeek wachtte.
Zonder afscheidsgroet verliet ze hare zuster) en ze kwam aan de
beek. Den emerant droeg ze in haar vingeren. De ridder wachtte haar,
en hief haar op zijn paard. Zoo verlieten ze tezamen de stad, en
niemand in Deventer heeft hen ooit weer ontmoet.
Martha werd ouder, en slechts leefde zij in 驮 verlangen dat ze nog
eens haar zuster zou zien, die terugkeerde, om rust bij haar te zoeken
en te vinden. De dagen en de nachten gingen voorbij, doch van Beatrix
hoorde ze niets. Maar toen ze zou sterven, deed zij den priester bij
zich komen, en ze zeide hem:
"Ter nagedachtenis van de liefde van mijn zuster en mij, wil ik van
mijn geld een kerk doen bouwen op den berg. Twee torens zullen erop
worden gebouwd, de een iets grooter dan de ander, twee kinderen van 驮
vader gelijk, en onafscheidelijk. Zoo zal eeuwig blijven de gedachte
aan onze liefde en na onzen dood althans zullen er twee zusteren zijn,
die elkander niet verlaten."
De sage van de Deventer Bergkerk
De sage van de Bergtoren van Deventer:
Twee torens staan er op de Bergkerk van Deventer, en men zegt, dat
de eene iets grooter is dan de andere. Van twee zusters vertelt men,
haar namen waren: Martha en Beatrix.
Eens waren ze gelijk van rijkdom, gelijk van vroomheid. maar Martha
was iets grooter dan Beatrix, en daarom verschillen ook de torens
der Bergkerk van lengte, zoo vertelt de sage.
Nooit speelde Martha zonder Beatrix, Beatrix zonder Martha, toen ze
kinderen waren. Tezamen zochten ze de bloemen aan den zonnetintelenden
IJsel, de madelieven en de boterbloemen, eeuwig 't eerste wonder des
levens voor alle kinderen van Nederland.
Het was Palmpaschen, en beiden hadden ze een vogeltje van brood op
een stokje. Ze zongen hetzelfde liedje:
"Palm -- palm -- paschen
Eikoerei -- eikoerei,
Noe nog ꪮe Zundag
En dan kriege we 'n ei
En dan kriege we 'n ei
ɩn ei is geen ei
Twꪠei is een half ei
Drꪠei is een Paaschei."
Het was Pinksteren, en ze dansten, hand in hand, met de anderen om
de Pinksterkroon. Het was Paschen en ze stonden bij de vuren, die
allerwege laaiden. Ze hadden later, toen ze jonge meisjes werden, de
herinneringen der jeugd gemeen, en daarom hadden ze elkander lief. Ze
behoefden hierover nooit met elkander te spreken: eensgezind waren
ze zonder woorden. Zoo bereikten ze den leeftijd, dat het verlangen
naar liefde liefelijk is, en een teeder, nooit-gezegd geheim.
Er kwam uit verre streken een ridder, die al veel liefde in zijn leven
had gekend. Dit was te zien in zijn oogen, die een diepen glans hadden,
en het was te hooren aan zijn stem, vroolijk als dansmuziek. Hij
was niets dan jeugd. Hij was voor ieder, die hem tegenkwam, gelijk
een blijde herinnering. Het duurde niet lang, of Martha en Beatrix
ontmoetten hem, en beiden lachten ze om zijn leutig wezen, de liedjes,
welke hij zong, en de grappen, die hij bedreef. Gezamenlijk bespraken
zij het, hoe schoon van gestalte ze hem vonden, en ze waren beiden
gaarne in zijn gezelschap. Toen kwam de dag, dat Martha over hem zweeg,
en Beatrix alleen over hem praatte.
"O! bleef hij hier, instee van verder te gaan -- " zoo zeide Beatrix
-- "want in Deventer is er geen, die aan hem gelijk is, vindt gij wel,
zuster? 't Schijnt me, of voortaan mijn leven zonder hem dor zal zijn,
ja, ge zult mij wel gelooven, als ik u zeg ... dat ik soms verlang:
"o! had ik hem niet gekend."
Maar eens hoorde Beatrix in de kamer, waar ze met Martha sliep, zacht
snikken, en verschrikt vroeg ze, waarom haar zuster weende. Ze kreeg
geen antwoord, en den volgenden morgen herhaalde ze haar vraag.
"Ik geschreid?" glimlachte Martha. "Dat beeldt gij u in. Den ganschen
nacht heb ik rustig geslapen."
Beatrix nu geloofde haar. Eenige maanden later echter hoorde ze
wedernacht schreien, en daarom vroeg zij, waarom Martha leed. Hoe
verwonderd was ze, toen deze haar rustig zeide, dat er niets was,
en dat ze slechts even wakker had gelegen.
Spoedig zou Beatrix dit alles vergeten. Want ook voor haar kwam het
leed. Een dag zeide haar de ridder:
"Ik moet u verlaten, zoete Beatrix."
Na dien weende zij in den nacht. Maar zij ontkende het niet, toen
Martha haar zeide, dat ze haar had hooren schreien.
Ze boog zich over tot haar zuster.
"Heb ik 't u niet gezegd," zoo klaagde zij, "dat 't beter ware geweest,
als ik hem nooit gezien had! Ay mij -- zusterlieve -- het is mij
niet wel te moede. Ik ben angstig om te leven. Zou de dood nabij mij
wezen? Ik voel geen krankheid, maar o! het is mij, of ik erger ben
dan ziek, en of ik voortaan alle nachten zal schreien." Martha nam
hare hand, en streelde ze. Vast klonk haar stem.
"Ge hebt te veel over den jongen ridder gedacht, die Deventer
verlaat. Beatrix! luister niet naar zijn stem, en volg hem niet over
de wegen, die hij kiest. Blijf bij uw zuster, die u meer liefheeft
dan hij, en bij wie ge veilig zijt."
"Ik zal niet naar hem luisteren," zoo beloofde Beatrix.
Ze ontmoette hem den volgenden dag niet, doch den daaropvolgenden
zocht ze hem. Het was op een stille plaats bij de rivier, waar de
vlugge Koerhuisbeek in den IJsel valt. Daar smeekte ze hem, om de
stad te verlaten, zoo spoedig mogelijk.
"Waarom dan -- " lachte hij lichtzinnig, "zijt ge bange voor mij?"
"Ik weet niet waarom -- ik weet niet waarom -- maar mijn hart
dringt me -- ik ben bange voor u -- ga heen -- blijf -- ga
heen -- "
Hij zag haar aan, en hij vond haar schooner dan eenig meisje, dat
hij ooit had gezien. Hij dacht erover na, hoe dwaas het zou zijn,
alleen verder te trekken, en haar in de stad achter te laten. Hoe
had hij niet eerder ontdekt, hoe waardig ze was tot liefde, en koen
beschouwde hij haar.
"Beatrix," zoo lachte hij, "ik zou niet heengaan, als gij in de stad
blijft, want ik zou geen rust meer kennen, en aan Deventer moeten
denken als een moede vogel aan zijn nest. Ik kan niet meer zonder u
en toch moet ik u verlaten."
Zijn stem werd angstig, terwijl hij haar handen in de zijne nam.
"Vaarwel, Beatrix -- vaarwel! Ik min u -- vaarwel! Gij zult
nooit meer vragen, waar ik ben, en toch, waar ik ben, zal ik aan u
denken. Als ik gewond word, en mijn wonden mij pijnigen, zal ik naar
uw zachte, troostende handen verlangen -- "
Ze zag hem aan.
"Heb mij niet lief," smeekte ze, "heb Martha lief."
Rustig antwoordde hij.
"Martha kan ik niet lief hebben. Nooit denk ik aan Martha, zonder
aan u te denken. Doch laat ons van elkander gaan, en elkaar nooit
weer zien. Vaarwel, Beatrix, en vergeet me."
Ze staarde voor zich uit, en in haar ooren klonk de stem harer
zuster. Was ze bij Martha veiliger dan bij den ridder? Angstig
vluchtte ze, zonder hem te antwoorden. Bij Martha schreide ze, en
ze bekende haar alles, ook, dat ze hem had gevraagd, om Martha lief
te hebben. Martha vroeg niet, wat de ridder had geantwoord. Ze sloot
haar in de armen.
"Vergeet, zusterlief. Vergeet hem, of ge zult uzelf vergeten."
"Ik zal hem vergeten."
Hij reed 't huis voorbij, en ze hoorde zijn stem. Doch ze trad niet
naar buiten. Verre klonk zijn lied.
"Het waren twee conincskinderen,
Si hadden malkander soo lief
Si konden bi malkander niet komen,
Het water was veel te diep."
Angst was er in haar hart, na haar belofte, dat zij hem vergeten
zou. Bovenal waren voor haarde nachten vreeselijk. Zoodra het donker
werd, en zij probeerde te slapen, werd de nacht een levend, dreigend
wezen voor haar, en met wijdopen oogen staarde ze naar de vreeswekkende
gedaante, die zich over haar heenboog, met wreede stem roepende:
"Vergeet hem, dien ge niet vergeten kunt. Spoedig zal hij heengaan, en
beiden zult ge eenzaam zijn. Als hij gewond is, zijt gij niet bij hem."
Soms spotte de nacht met haar.
"Ge zijt hem toch vergeten, hoe komt het dan, dat ge aan zijn naam
denkt? Beatrix, meent ge, dat ge gelukkig zult worden, als ge in een
klooster gaat, want ge zult toch niet hier blijven wonen, waar ge
hem iederen dag hebt gezien? Zal ik hem u eens vooveren?"
Dan trad de gedaante van den nacht terug, en in den luister des
lichts stond rank en recht de jonge ridder. Als zij de armen naar hem
uitstrekte, verdween hij weder. Eens kwam er een visscher voorbij
haar huis, die aan de deur klopte. Hij liet haar een visch zien,
dien hij gevangen had, en hij vroeg haar, of ze dien wilde koopen,
voor den maaltijd van haar en haar zuster.
"Hoeveel deze visch?" vroeg ze, bereid tot koopen.
Instee den prijs te noemen, begon hij te lachen. Zij riep driftig:
"Neem den visch weer mede, en ziet, dat gij hem verkoopt, waar gij
niet lachen zult."
"Moet ik dan niet lachen -- als ik in dienst van een rijk heer sta?"
"Ik heb met uw grappen niet van doen. Ga heen."
"Ik zal heengaan," sprak hij, "maar niet, voordat ik u heb gezegd,
dat morgen vden avond mijn heer u wacht -- bij de Koerhuisbeek
-- waar ge hem al eerder hebt ontmoet."
Ze legde de hand aan haar hart. Ze zeide met zachte stem:
"Zeg den ridder, dat ik niet zal komen."
"Hij doet u weten," hernam de visscher, "dat hij Deventer wil
verlaten. Hij is er zeker van, dat ge komen zult, en nog iets droeg
hij me op, u te zeggen: ge zult er niet met uw zuster over spreken."
"Dat had ik nu niet gedaan -- maar zeg uw heer, dat hij alleen zal
trekken, en mij niet wachten zal."
"Mijn heer heeft gezegd, dat ik u dezen edelsteen tot pand zal reiken,
van groote waarde. Ge moogt dien behouden, ook al komt ge niet. Doch
de steen is hem een bewijs, dat ge hem niet zult laten wachten."
Ze bezag den schitterenden steen, en ze week terug. Want hij lag,
vloeiende van verleidend licht op haar hand, en ze wist, dat hij
haar liefde hooger schatte dan aardschen rijkdom. Toen wendde ze haar
gelaat af van deze flonkering.
"Geef den emerant aan uwen heer terug, want ik wil hem bewijzen,
dat ik niet komen zal. Zoowaar ik u den steen geef, zoo waar zal ik
niet komen."
"Behoud den emerant," sprak de visscher, "daar hij van u is. Ik heb
geen recht hem terug te vorderen. Mijn heer verwacht u."
Hierop vertrok hij met den visch. Beatrix bleef alleen achter, en
nu ook was het licht genadeloos voor haar, en de dag was een wreede
gedaante, een reus met vreeselijke stem, die zijn groote handen zwaar
op haar schouder legde. Ze zocht rust in den schemer van haar huis,
bij Martha, hare zuster, doch de dag volgde haar met onbarmhartigen
tred en gebaar. Ze hoopte, dat de nacht wel troost zou brengen, en
haar van den druk zou bevrijden. Al kwam loom de nacht, eerst met
zware groeven en voren van het avonddonker door den glans, toen met
volle duisternis, geen verandering bracht hij voor haar, want even zoo
huiveringwekkend boog hij zich over haar heen. Ze kende geen slaap,
ze moest denken met bonzend voorhoofd aan den morgen, en den ridder,
die haar bij de Koerhuisbeek wachtte.
Zonder afscheidsgroet verliet ze hare zuster) en ze kwam aan de
beek. Den emerant droeg ze in haar vingeren. De ridder wachtte haar,
en hief haar op zijn paard. Zoo verlieten ze tezamen de stad, en
niemand in Deventer heeft hen ooit weer ontmoet.
Martha werd ouder, en slechts leefde zij in 驮 verlangen dat ze nog
eens haar zuster zou zien, die terugkeerde, om rust bij haar te zoeken
en te vinden. De dagen en de nachten gingen voorbij, doch van Beatrix
hoorde ze niets. Maar toen ze zou sterven, deed zij den priester bij
zich komen, en ze zeide hem:
"Ter nagedachtenis van de liefde van mijn zuster en mij, wil ik van
mijn geld een kerk doen bouwen op den berg. Twee torens zullen erop
worden gebouwd, de een iets grooter dan de ander, twee kinderen van 驮
vader gelijk, en onafscheidelijk. Zoo zal eeuwig blijven de gedachte
aan onze liefde en na onzen dood althans zullen er twee zusteren zijn,
die elkander niet verlaten."