Back to photostream

1920 Plantage Clevia in Suriname, drie broers Gonggrijp, Resident George, planter Stephan en Statenlid planter Justus met hun echtgenotes

Dit is voor het plantagehuis van plantage Clevia in Suriname met drie broers Gonggrijp en hun echtgenotes. Links de Resident van Rembang George Lodewijk Gonggrijp met echtgenote Agnes Charlotte van der Valk, midden de jongste Stephanus Hendrik Gonggrijp met echtgenote Louise Catharina Spiering en rechts de oudste Statenlid Justus Rinia Cornelis Gonggrijp met echtgenote Anna Rühmann. Hun vader was Professor Justus Rinia Petrus François Gonggrijp op de Indische Instelling in Delft. Er zijn twee plantages Clevia geweest. De andere lag aan de overkant van de rivier. Deze ligt naast plantage Morgenstond aan de Anton Dragtenweg naar Leonsberg.

 

Resident van Rembang op visite.

De Resident van Rembang uit Nederlands-Indië, Georg Lodewijk Gonggrijp, is op de foto dus een keer in Suriname. Dat blijkt ook uit de krant dat hij op 27 oktober 1919 per ss Prins Frederik Hendrik met zijn echtgenote aankomt in Paramaribo. Dat kan wellicht de reden zijn dat men Augusta Curiël heeft uitgenodigd om dat heugelijke feit op de foto vast te leggen. Op 30 april 1920 is er nog een publicatie van deze George Lodewijk Gonggrijp in De West: 'Indrukken van een outsider'. Deze foto moet dus tussen oktober 1919 en april 1920 zijn gemaakt, de mannen zijn dan 63, 61 en 59 jaar oud. Het Surinaams Museum dateert deze foto op circa 1915, maar in die periode wordt G.L. Gonggrijp niet genoemd in de Surinaamse krant. Van hem zijn ook enkele wetenschappelijke publicaties over Nederlands-Indië. Hij is ook de anonieme schrijver van de Brieven van Opheffer aan de redactie van het Bataviaasch Handelsblad. Zijn zoon, eveneens George Lodewijk Gonggrijp, is de schrijver van het Javaanse toneelstuk in vier bedrijven Açoka in 1921. Daarvoor was hij nog bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, maar vanaf 1919 lector en later professor in de economie aan de Handels-Hogeschool in Rotterdam, de latere Economische Hogeschool. Onder de oorlog is hij daar zelfs nog de rector-magnificus van en staat in die periode bekend om zijn weerstand tegen de duitse bezetter. Deze George Lodewijk Gonggrijp, de zoon dus, is de voorloper geweest op dezelfde leerstoel van de econoom en latere nobelprijswinnaar Professor Jan Tinbergen. De man met het baardje is dus de Resident van Rembang George Lodewijk Gonggrijp.

 

Jacob Isaäc Spiering geeft vijf kinderen zijn naam.

De twee broers rechts op de foto Stephan en Justus Gonggrijp waren samen eigenaar van plantage Clevia groot 210 ha. Zij hebben op het voorland van Clevia een steenfabriek gebouwd en vanaf 1884 verschijnen advertenties van de Gebroeders Gonggrijp met 'steenen à ƒ30 per mille' in de Surinaamse kranten. Stephan trouwt in 1887 met zijn buurmeisje Louise Catharina Spiering van plantage Morgenstond en is vervolgens ook de mede-eigenaar van die plantage. Samen met zijn zwager Jacques François Spiering is Stephan ook eigenaar van 't Lot 36, ook wel Gloria genoemd, in Nickerie groot 214 ha. Louise Spiering en haar vier broers en zusters waren de oorspronkelijke eigenaren van plantage Morgenstond groot 325 ha. Die was kort voor 1790 opgericht door Mr. François Ewoud Becker. Zijn moeder was Spiering en hij kwam op 6 februari 1757 samen met zijn oom Jacob Hendrik Carel Spiering in Suriname aan. Als zijn oom op 8 april 1766 onder erbarmelijke beschuldigingen door de gouverneur het land wordt uitgezet en op de boot overlijdt, blijft François in Suriname werken als administrateur en boedelbeheerder van wel 37 plantages. Vooral dat boedelbeheer was waardevol, want hoeveel rijkdom families ook in Suriname bezaten, op een dag gaan ze dood, blijven er soms weeskinderen na, of onbeheerde nalatenschappen. Iemand moet er dan op letten als de notaris de testamenten aan het afwikkelen is en de erfgenamen in Nederland zitten. Daarin heeft François kunnen voorzien, waarbij goede betrouwbaarheid dus zijn devies moest zijn geweest. Hij heeft daarbij in Suriname ook gezorgd voor de twee minderjarige kinderen van zijn overleden oom die het land was uitgezet. Na zijn overlijden in 1795 laat François de plantages Morgenstond, Poelwijk en Nieuw Altona na aan zijn hele familie van vaders en moeders zijde. De plantage blijft dan jaren een boedel van de Erven Becker en Spiering totdat een kleinzoon Jacob Isaäc Spiering op 14 augustus 1851 zijn hele familie uitkoopt en enige eigenaar wordt. Deze Jacob was 1 jaar oud toen zijn vader Frederik Hendrik Spiering in Suriname overleed. In de krant staat dat hij de plantage vanuit een vervallen staat weer helemaal heeft opgewerkt tot een bloeiend bedrijf. Hij bouwde de directeurswoning, als zijnde de tweede woning op dezelfde plaats, en de twee cacaoloodsen met drie droogsystemen. In Schakels staat het verhaal dat plantage Morgenstond zo heet omdat de toenmalige kostgronden tijdens het ochtendgloren bij het kaartspel zouden zijn gewonnen. Er zijn van Suriname geen cowboy verhalen bekend dat hele plantages zouden zijn vergokt bij het kaartspel. Het zal wel gegaan zijn om het lot dat het recht gaf om de kostgronden nrs. 28 t/m 34 te kopen die later plantage Morgenstond vormden. Anders is het wel een beetje veel dat je zoiets inzet bij het kaartspel. Jacob Isaäc Spiering was in maart 1847 getrouwd met Heloise Stephanie Bray, en had daar een zoon bij. Maar bij Gouvernementsresolutie nr. 3 van 23 december 1865 worden vanwege de Wet op de Naamswijziging op verzoek van Jacob Isaäc Spiering, ingediend 7 oktober 1864, de achternaam van de vijf kinderen van Sara Mietje Lobato gewijzigd naar Spiering met weglating van Lobato. Belanghebbenden konden daarbij binnen zes weken verzet aantekenen, wat alleen Heloise Bray doet, maar wat zij later weer intrekt. Sara Maria Lobato overlijdt vervolgens een jaar later in 1866, Heloise Bray in 1890. Er vindt dus geen wettelijke erkenning van de kinderen plaats, alleen een naamswijzing, maar ze worden wel behandeld als eigen kinderen, terwijl Jacob Isaäc Spiering dus nog getrouwd is met Heloise Bray. Deze vijf kinderen Spiering van Sara Maria Lobato kopen in 1884 plantage Morgenstond van Jacob Isaäc Spiering met de bepaling dat hij voor de rest van zijn leven de administrateur zal blijven. De zoon Albert Louis Stephan Spiering van Jacob Isaäc Spiering en Heloise Bray is daar niet bij. Waarschijnlijk omdat hij een toekomst in Nederland prefereerde en dus niet omdat hij buitengesloten werd. Op 9 februari 1895 wordt de N.V. Cultuuronderneming "De Morgenstond" opgericht en zijn deze vijf kinderen van Sara Maria Lobato de enige aandeelhouders. Daarbij blijft Jacob Isaäc Spiering de administrateur, tot hij in 1898 overlijdt, en Jacques François Spiering de directeur. Dat blijft hij nog tot 1908 maar vanaf 1905 zijn Stephan Gonggrijp en Louise Spiering al de beheerder. Vanaf 1908 is Jacques François Spiering woonachtig in Haarlem als rentenier waar hij in 1929 overlijdt. Louise Spiering en Stephan Gonggrijp moeten ergens de rest van Louises familie hebben uitgekocht. Want na hun overlijden in 1937 en 1945 zijn alleen hun vier kinderen de enige aandeelhouders van plantage Morgenstond en de neef Adriaan Pieter Spiering, die onder de oorlog op de plantage had gepast, zoon van Jacques François Spiering hiervoor genoemd. Henriette Magdalena Spiering, de zuster van Louise Spiering, trouwde met Alexander Edward Green van plantage Belwaarde aan de overkant van de rivier. Haar dochter Lili Green weet later als danseres internationale bekendheid te verwerven in New York en Parijs. Van Lili Green is in 1995 een biografie geschreven door Yoka van Brummelen.

 

Ondernemen in Suriname.

Justus Rinia Cornelis Gonggrijp woonde als huurder tot 1917 in het latere Bisschopshuis aan de Gravenstraat La. A. No. 5 in Paramaribo. Hij was vanaf 1895 lid van de Koloniale Staten van Suriname en later nog zelfs voorzitter daarvan. Toen waren Anton Alexander Dragten en E.A. May ook Statenlid. Van deze Justus zijn bij het Tropenmuseum foto's van Augusta Curiël dat het voorland van Clevia, dus in het zoute rivierwater, helemaal vol staat met volwassen cocosnootbomen. Deze Justus heeft ook aan het begin gestaan van de bacovencultuur in Suriname. Hij is daartoe samen met de heer Koch ook eigenaar geweest van plantage Kroonenburg en eerst pachter en vervolgens vanaf 1901 samen met Koch ook eigenaar van de plantages De Goede Vriendschap, Rijnberk en Schaapstede om daar een cacaocultuur aan te leggen. In 1903 verkoopt hij deze plantages echter weer aan de Surimaanse overheid, om aangeboden te worden aan de contractimmigranten voor de kleinlandbouw. Volgens de krant Onze West van 20 augustus 1903 betrof het een areaal van 7000 ha. ingepolderd land voor ƒ56.000 gulden. Maar het was ook om de krullotenziekte omdat een maand later een artikel in de krant staat over de hopeloosheid van de cacaocultuur en er door die ziekte geen vruchten meer te verwachten zijn. Volgens een Memorie van Toelichting uit 1905 van Gouverneur C. Lely aan de Tweede Kamer was de uitvoer van cacao van 1899 naar 1904 gedaald van 3860 ton naar nog maar 850 ton. De opbrengsten uit de cacao daalden met 81%. De krullotenziekte heeft in 1905 een zodanige verwoestende uitwerking dat in deelgebieden al de helft van de bomen is verloren gegaan en voor het overige de helft van de noten verstenen. De noodlijdende plantages gaan dan over op de bacovencultuur en moeten in 1909 3000 ha bacoven in cultuur hebben. Door de panamaziekte onder de bacoven gaat de cultuur in 1908 al ter ziele. Door de wereldoorlogen en de crisis van 1929 wordt de bacovencultuur pas na 1948 weer hervat. De plantages hebben tot 1928 de lening voor deze mislukte bacovencultuur aan het Gouvernement moeten aflossen.

 

De eerste goudzoeker in Suriname, wie?

Deze Justus heeft ook aan de basis gestaan van de goud-exploratie en exploitatie in Suriname, namelijk doordat zijn vader, de Indische Professor J.R.P.F. Gongrijp, de eerste aanvrager is geweest voor een concessie om in de rivierbeddingen onderzoek te doen naar de aanwezigheid van goud. Deze concessie heeft wat voeten in de aarde gehad en is zelfs op 30 oktober 1890 besproken geweest in de Eerste Kamer in Nederland. Wat was het geval, per resolutie van 7 september 1882, gewijzigd 18 september 1884, was het bij wet verboden om in Suriname naar goud te zoeken. Het was zelfs strafbaar gesteld. Er moest eerst een aparte resolutie gemaakt worden. Ook het uitgeven van een concessie door de Gouverneur in strijd met de wet werd strafbaar gesteld in artikel 22 lid c van het Regeeringsreglement van 22 april 1855. Dus groot is de ophef dat het wel is gebeurd. Maar de behoefte om Suriname uit het economische dal te trekken was zo groot dat de Staten het toelieten. De gouverneur stelt, dat hij geen goede resolutie kan ontwerpen zonder voorafgaand onderzoek naar de situatie. J.R.C. Gonggrijp heeft vervolgens een belangrijke bijdrage geleverd aan de aanleg van de spoorlijn naar Dam. De contract-immigranten uit Nederlands-Indië vanaf 1890, waar toen zoveel behoefte aan was, en waar zoveel moeite voor was gedaan om ze naar Suriname te laten komen, daar was in 1904 al geen werk meer voor op de plantages. Een noodkreet van de Vereeniging voor den Grooten Landbouw gaat uit naar de gouverneur, dat als het koloniaal bestuur geen rentegarantie kan geven voor buitenlands kapitaal, de enige ander oplossing de kostenvermindering is, doordat het gouvernement de contract-immigranten overneemt. Die zijn toen allemaal tewerkgesteld bij de aanleg van de 183km lange spoorlijn naar Dam. In de kranten van toen sprak men over de tramlijn. Intussen kregen de plantages adem voor een conversie terug naar de koffiecultuur, terug in die zin dat veel plantages dat voor 1850 in oorprong nog waren.

 

Hevea rubberbomen.

Daarnaast waren de broers Gonggrijp actief in het vinden en vervolgens op grotere schaal kweken van de hevea rubberbomen voor rubber. Op plantage Clevia en deels ook op plantage Morgenstond, en misschien ook elders, gebruikten zij die bomen als schaduwbomen voor de koffie- en cacaocultuur. Het sap van de boom, de latex, was de grondstof voor een harde rubbersoort, die gewild was voor aandrijfriemen van bijvoorbeeld stoommachines. Hij reist met dat rubber zelfs naar de rubbertentoonstelling in New York om het te promoten. In een periode van tien jaar is in die tijd 4,6 miljoen kilo rubber van Suriname naar New York verscheept onder meer ook afkomstig uit Nickerie. Justus moet in New York - net als elke andere Surinamer die daar komt - bevangen zijn geweest niet door de torenhoge skyscrapers (toen nog merendeels pas in opkomst), maar door de grote vraag, wat maakt het verschil dat New York in dezelfde tijd zoveel groter is gegroeid vergeleken met Suriname?

 

Arbeiders uit Nederlands-Indië naar Suriname halen.

En dan is er nog iets wat deze J.R.C. Gonggrijp op zijn naam heeft staan. Bij al zijn ondernemingsplannen waren arbeiders nodig. Op het Indisch Genootschap in Paramaribo, in de Land- en Tuinbouwvereniging en later in de Koloniale Staten, is er steeds de wederkerende kwestie van het tekort aan arbeiders in Suriname. Een uittreksel van die discussie op het hoogste niveau uit de krant van 1892 is als volgt:

 

"In april 1892 is er een discussie over immigratie en kolonisatie van Suriname op het Indisch Genootschap in Paramaribo met onder meer J.R.C. Gonggrijp als lid. In een betoog brengt mr. J.M. Gülcher stellingen voor immigratie van arbeidskrachten naar voren waar de vergadering verder over discussieert. Ondanks Surinames natuurlijke rijkdommen is er in de kolonie achteruitgang, gebrek aan kapitaal, de vloek der slavernij en het gemis eener gevestigde arbeidersbevolking. De vroegere slaven gingen aan den landbouw verloren, verhuisden naar Paramaribo, leefden van ongeregelde arbeid, vestigden zich op eigen stukjes grond of werkten in de goudindustrie. Het verlies aan binding met de plantage leidde tot losbandigheid. Voor rekening van particulieren was er een immigratie van enige duizenden “Chineesche koelies” die vrij goed voldeden. Maar tot duurzame versterking van de landbouwbevolking droegen zij niet bij en legden zij zich meer toe op kleinhandel. Daarna de immigratie van “Britsch-Indische koelies” op de grondslag van een tractaat met Engeland met de bepaling dat alle immigranten onder de hoede staan van de “Britschen consulaire agent” omdat zij Brits onderdaan bleven. In het streven naar het aanwerven van eener vaste arbeidersbevolking, bekend met land en werk, verdienen Javanen de voorkeur boven Hindoes, daar zij zich rustiger gedragen waar de Hindoes aan onverschilligheid en teleurstelling vervallen als de voordelen hun voorgespiegeld niet verwezenlijkt worden. De immigratie van Javanen ligt gevoelig omdat die eerder aan Engeland voor zijn koloniën was geweigerd “omdat wij het zelf niet deden”. Wat heeft men aan koloniën als die een last zijn. Men kan Suriname laten voortsukkelen. Maar als men de rechten (op Suriname) handhaaft moet men ook niets nalaten om dat land te ontwikkelen. Een kolonisatie door Europeanen werd bestreden, omdat de uitkomst in andere koloniën had bewezen dat dit zelfs niet in de gezondste delen mogelijk is. Het waren niets dan treurige resultaten. De geaardheid van de bodem en het klimaat waren hiervan de oorzaak. Noordelijke Europeanen konden zelfs niet in Spanje werken. Teneinde Suriname duurzaam te doen bloeien, is een krachtige exploitatie van de plantages nodig, is de aanvoer van werkkrachten vereischt met als doel daaruit een gevestigde arbeidersbevolking te verkrijgen. Een vestiging van “eigen Indische onderdanen” (uit Nederlands-Indië) is zeer gewenscht."

 

Deze discussie herhaalt zich in de Land- en Tuinbouwvereniging waar J.R.C. Gonggrijp bestuurslid van is, wat later overgaat in de Vereeniging voor den Grooten Landbouw, en vervolgens in de Koloniale Staten waar J.R.C. Gonggrijp op 27 juni 1895 in gekozen wordt met 94 van de 181 uitgebrachte geldige stemmen. Want als de landbouw in Suriname tot bloei wil komen moest er een zogenaamde "tussenlaag" van kleinlandbouwers komen in de bevolkingsopbouw. Behalve zijn halfbroer Hendrik en zijn broer George heeft hij ook nog een oom G.P.H.H. en een neef G.F.E. Gonggrijp in Nederlands-Indië, die allemaal groot-ambtenaar functies hadden in het binnenlands bestuur of een eigen onderneming in de landbouw. Groot-ambtenaar in de zin van dat je in aanmerking kwam voor functies als resident en gouverneur. Door die connecties worden de gebroeders J.R.C. en S.H. Gonggrijp pleitbezorgers om Javaanse contract-immigranten naar Suriname te halen. Het wordt door het Ministerie van Koloniën ook zo uitgevoerd. Het enige motief van hem hierin was om de economie van Suriname uit het dal te trekken en de kolonie tot bloei te laten komen. J.R.C. Gonggrijp wordt in de krant bij de Koloniale Statenverkiezingen van 1895 geroemd dat hij al zijn verdiensten steeds weer terug investeerde in zijn ondernemingen in Suriname, waarna hij ook tot Statenlid wordt gekozen. Het is dus ook altijd het politieke beleid van Suriname geweest geen Nederlandse kolonisten toe te laten. Dat is iets wat in New York wel gebeurde. Tussen 1 januari 1892 en november 1954 kwamen in totaal zo'n 12 miljoen immigranten door de poorten van het verwerkingscentrum op Ellis Island, allemaal Europese mensen van het Kaukasische type. Aldaar is het de stelling dat de wereldmacht van Europa toen via Ellis Island naar Amerika verhuisde. Dit is dus waarom New York zo groot werd vergeleken Suriname met nog één ander ding, het mercantilisme. Mercantilisme is toen de kolonies alleen de grondstoffen en halffabrikaten (b.v. cacaobonen) leverden, en in Europa de eindproducten en grote winsten werden gemaakt (b.v. chocoladerepen). Vanaf de onafhankelijkheid in 1776 ging de Verenigde Staten door industrialisatie ook eindfabrikaten maken. De grote groei van New York tot wereldhaven ontstaat vooral na de aanleg van het 584 km lange Eriekanaal tussen de Great Lakes en New York. Daardoor was er tot diep in het achterland verbinding over water met New York, en via New York met Europa en elders. De “tramlijn” naar Dam, wat men nu de Lawa spoorlijn noemt, was in Suriname ook zo’n daad “om het binnenland open te gooien”, maar als de spoorlijn in 1913 voltooid is, is de goudindustrie vanwege tegenvallende opbrengsten alweer ter ziele. De vader Alexander Edward Green van Lili Green hiervoor genoemd, zijnde de zwager van Stephanus Hendrik Gonggrijp, was na het faillissement van zijn plantage Belwaarde in 1900 in deze goudindustrie gegaan, maar is daaraan in 1905 door hevige malariakoortsen in het binnenland overleden.

 

Houtvester Gonggrijp in Suriname, er zijn er twee.

De oudste zoon van deze J.R.C. Gonggrijp was Justus Wilhelm Gonggrijp die na zijn studie aan de landbouwhogeschool in Wageningen op 27 januari 1910 in Paramaribo trouwt met Evelyn Alma Mayers. Hij is de bekende houtvester geworden in Suriname en heeft daar belangrijk werk verricht voor de bosbouw van Suriname. Van 1910-1923 was hij het hoofd van het Bureau Boswezen. Er bestaan circa honderd wetenschappelijke publicaties van zijn hand over onder meer de bosbouw in Suriname. Hij werkte samen met Stahel, die de directeur was van het Landbouwproefstation, om onder meer de boomsoorten en hoeveelheden daarvan in Suriname in kaart te brengen. Daarbij zijn meerdere tochten ver het binnenland in gemaakt. Stahel heeft nog altijd eeuwige roem doordat hij al één jaar na zijn indiensttreding de oorzaak van de krullotenziekte in de cacao in Suriname wist te ontdekken, namelijk een schimmel. De krullotenziekte was vanaf 1895 de oorzaak dat de cacaocultuur in Suriname mislukte omdat de noten versteenden. Op meerdere plantages zoals Morgenstond werd toen weer overgegaan op koffie. Vanaf 1924 is Justus Wilhelm Gonggrijp beheershoutvester, en in 1925 opperhoutvester, niet in Suriname maar in Nederlands-Indië. Hij was namelijk al die tijd aangesteld geweest voor de Indische Dienst maar gedetacheerd naar Suriname. De Gonggrijpstraat in Paramaribo zou naar deze houtvester Gonggrijp zijn vernoemd, maar het was daarvoor ook de weg naar de "terreinen van Gonggrijp". In 1935 krijgt deze Justus Wilhelm Gonggrijp de zilveren Frederik (Frits) W. van Eeden medaille voor zijn botanische werk voor de flora en fauna van Suriname. Samen met Stahel is hij dan de enige drager van die medaille. Deze Frederik W. van Eeden was niet de schrijver van De Kleine Johannes, maar de botanicus en de eerste directeur van het Koloniaal Museum in Haarlem van waaruit later het Koninklijk Instituut voor de Tropen is voortgekomen. In Paramaribo is er tegelijk ook nog een tweede houtvester Gonggrijp, namelijk de jongere neef van Justus Wilhelm Gonggrijp, de eveneens Wageningse ingenieur Louis Gonggrijp, zoon van Stephan Gonggrijp en Louise Spiering van plantage Morgenstond. Als aspirant-houtvester heeft Louis vanaf juli 1920 tegelijk gewerkt met Justus Wilhelm Gonggrijp in Paramaribo, maar als na vijf jaar het "Boschwezen in Suriname geen deskundige meer nodig heeft", vertrekt ook deze houtvester Louis Gonggrijp in augustus 1925 naar Nederlands-Indië.

 

De professor was drie keer getrouwd.

De drie broers op de foto hebben nog andere familie in Nederlands-Indië, waaronder hun oudere halfbroer Hendrik Cornelis Rinia Gonggrijp, de eerste zoon van hun vader. Zijn nakomelingen zijn zich in Nederlands-Indië officieel Gonggrijp van der Sanden gaan noemen, Mathilda van der Sanden uit Noordwijkerhout was de eerste vrouw van Professor J.R.P.F. Gonggrijp. De drie broers op de foto zijn van de tweede vrouw Maria Cornelia Wolvekamp uit Rotterdam. Maar Maria Wolvekamp overleed kort na de geboorte van Stephan op de foto in Meester Cornelis (tegenover Batavia) oud 30 jaar. Daarna is hun vader nog een derde keer getrouwd, namelijk met Anna Rosina Hendrika Wolvekamp, de jongere zuster van Maria Cornelia Wolvekamp, en die heeft de drie broers op de foto opgevoed.

 

De drie broers op de foto zijn wel geboren in Nederlands Indië, met name in Depok. Dat ligt een stukje onder Batavia, nu Djakarta vlakbij Buitenzorg, toen de residentie van de Gouverneur, thans een flora- en faunacentrum. Depok was een landgoed dat begin 18e eeuw in eigendom was afgestaan aan de aanwezige voornamelijk christelijke arbeiders. Het is voor deze christelijke arbeidersgezinnen dat een eeuw later hun vader J.R.P.F. Gonggrijp in 1849 als zendelings-leraar van de Nederlands Hervormde kerk in Rotterdam naar Nederlands-Indië wordt uitgezonden. Hij geeft daar les op de school van deze christen-gemeente en vertaalt bijbelgeschiedenisboekjes in het Maleis en later Soendanees voor deze inlandse christenen. Deze boekjes worden zo gewaardeerd dat ze worden ovegenomen door de binnenlandse regering voor verdere verspreiding. Hij heeft ook een vertaling gemaakt in Romeins letterschrift van de Hhikajat Kalila dan Damina, een Indisch letterkundig werk uit de oudheid, zo'n beetje het kaliber van de Ilias van Homerus uit onze westerse cultuur. Dat boek van J.R.P.F. Gonggrijp is heden nog nieuw te koop op Ebay. Na het overlijden van zijn tweede vrouw Maria Wolvekamp gaat J.R.P.F. Gonggrijp vanaf 1864 met groot verlof naar Nederland en gaat wonen in Vrijenban bij Delft. Dat is als de oudste van de drie broers op de foto zeven jaar is. Zij groeien vervolgens op tot hun volwassenheid in Vrijenban, dat was toen een aparte gemeente tussen Delft en Nootdorp ten oosten van de Schie, tegenwoordig een wijk binnen de gemeente Delft.

 

Ik ga naar Suriname.

Het is vanuit Vrijenban naast Delft dat hun halfbroer, de eerste zoon Hendrik Cornelis Rinia Gonggrijp, het plan opvat om op 18 maart 1871 per zeilschip Lida naar Suriname af te reizen. Dit weet de huidige familie Gonggrijp wellicht niet, maar het staat echt zo in de Surinaamse kranten. Hendrik Rinia Cornelis Gonggrijp gaat eerst naar Suriname voordat hij naar Nederlands-Indië gaat. Hij trouwt in Paramaribo op 12 mei 1875 met Elisabeth Margaretha Arlaud. Op 28 februari 1876 wordt in Paramaribo hun dochter Henriette Elisabeth Jacoba Gonggrijp geboren. Op internet staat vanuit Hendrik Gonggrijp een stippellijn naar deze Elisabeth Margaretha Arlaud terwijl de rest van de familie met een ononderbroken lijn is, maar dat klopt niet. Elisabeth Arlaud was de eerste en de echte, de lijn van Hendrik Gonggrijp naar Nederlands-Indië zou eigenlijk gestippeld moeten zijn. De dochter heeft de voornamen van haar vader en moeder, als men verder leest zal blijken waarom. Hier speelt zich namelijk een verdrietige situatie af die op 19 april 1881 wordt beschreven in een oproep in het Gouvernementsblad van Suriname én de Nederlandse Staatscourant. Die oproep is gericht aan Hendrik Cornelis Rinia Gonggrijp dat hij over een half jaar op 4 november 1881 een "praktizijn" voor zich moet stellen bij het Hof van Justitie in Paramaribo, vanwege een eis tot echtscheiding van Elisabeth Margaretha Arlaud. Daarin wordt ook duidelijk wat Hendrik in Suriname heeft gedaan. Volgens de beschrijving van Elisabeth in die oproep is hij namelijk een week na het huwelijk al vertrokken naar Demararij, kwam een maand later nog voor een week terug wegens ziekte, om vervolgens weer heen te gaan. Omdat hij daarna vijf jaar niets meer van zich heeft laten horen en Elisabeth geen idee heeft waar hij was, had zij conform de wet het recht om een echtscheiding aan te vragen. Na die oproep reist vanuit Nederland op 10 juni 1881 per ss Anna en Bertha een J.H. Gonggrijp af naar Suriname die op 25 juli 1881 in Paramaribo aankomt. Het is heel misschien een pseudoniem, want andere Gonggrijpen waren talrijk, Justus, Joost, Rinia, Cornelis, Harmens, Hendrik, George, Lodewijk, Tjalling, Teetse, die zijn er allemaal, maar in 1881 is er alleen een jeugdige nicht Jeannette Henriette Gonggrijp op de H.B.S. in Batavia in Nederlands-Indië. Het huwelijk van Hendrik en Elisabeth wordt op 6 januari 1882 in Paramaribo door vonnis van de rechtbank ontbonden. Een half jaar later, op 23 juni 1882, is J.R.P.F Gonggrijp de verzoeker dat aan hem "een perceel land groot 117 H.A. aan de linkeroever der Suriname, bekend onder de nrs. 39, 41 en 43, in allodialen eigendom en erfelijk bezit wordt afgestaan". Het begrip allodiale eigendom hield toen in eigendom met een plicht. En de plicht bestond voor 1863 hieruit dat je twee slaven ter beschikking moest stellen om de dijk langs de rivier te onderhouden. Dat was dus plantage Clevia. Wat eerst aannemelijk leek, dat Hendrik Gonggrijp het pad voor zijn twee jongere halfbroers had geëffend door plantage Clevia alvast voor te bereiden, blijkt dus niet zo te zijn. Waarschijnlijk is de aankoop gedaan door J.R.C. Gonggrijp in naam van zijn vader en heeft hij msschien de reis op de boot gemaakt onder de naam J.H. Gonggrijp. Of mogelijk was hij al eerder in Suriname, want in latere beschrijvingen staat dat hij als opzichter op andere plantages eerst het Surinaamse plantersvak heeft geleerd. Vanaf 1884 zijn de advertenties van J.R.C. Gonggrijp of de Gebrs. Gonggrijp talrijk in de krant, maar de eerste advertentie van J.R.C. Gonggrijp is al in de zomer van 1882, nl. van 22 juli dat "Bezitters van de photographie door E. Cramer, voorstellende de famielje met het woonhuis van plantaadje Clevia, worden beleefd verzocht deze tegen restitutie van de kost-prijs, terug te zenden; zijnde tegen ons verlangen verkocht". Zijn woonadres is dan bij J.D. Horst aan de Keizerstraat La. A No. 140. Waarschijnlijk kennen zij die J.D. Horst goed, want vanaf 1884 is J.D. Horst hun agentschap in de stad Paramaribo waar klanten hun stenen kunnen kopen.

 

Een moeder met een kind en een onderwijs-akte.

Elisabeth Arlaud had een onderwijs-akte en voorzag zich in haar levensonderhoud als onderwijzeres in Paramaribo. Zo adverteert ze ook in de krant. In die hoedanigheid heeft zij de onderwijzer Richard Anton Patrieck Connel O'Ferrall leren kennen waarmee zij op 1 februari 1884 in Paramaribo in het huwelijk treedt. Met hem wordt al het onplezierige van haar vorige huwelijk meer dan goedgemaakt, want Richard heeft een bijzonder bedrijvig leven in het onderwijs in Suriname. Hij begint een avondschool annex constructiewerkplaats die later de Ambachtsschool wordt, voert de gymnastiek in het onderwijs in, is directeur van de ULO, is oprichter van de toneelgroep Ons Genoegen, is de eerste Surinaamse schrijver van een avondvullend toneelstuk in Thalia, is de nieuwe hoofdredacteur van de krant Onze West als W. Kraan die op 1 october 1909 verlaat en De West opricht ("een oude krant met een nieuwe redactie, en een nieuwe krant met een oude redactie" zoals Kraan zijn krant promoot), is kapitein bij de Schutterij en aan het einde van zijn leven nog meerdere jaren Lid van de Koloniale Staten van Suriname. Van een rancune tussen Richard en de andere broers Gonggrijp vanwege het gedrag van halfbroer Hendrik blijkt geen sprake, want in 1889 is Richard als deskundige al introducé van J.R.C. Gonggrijp op de vergadering van de toen opgerichte Land- en Tuinbouwvereniging. Richard is ook de eerste Surinaamse schrijver van een roman "Een Beschavingswerk", een satirische sleutelroman over de aanleg van de 183km lange spoorlijn naar Dam van 1903-1913 voor de goudindustrie, die in 1913 al niet meer rendabel bleek. De roman geeft een ironisch beeld van de megalomanie van overheden; de neerbuigende houding tegenover bosnegers en Indianen; de truttigheid van het koningshuis; en de idiotie van beschavingsmissies. Op het einde van hun werkzame leven, als ze 74 en 77 jaar zijn, maken Richard en Elisabeth op 5 mei 1929 nog een mooie bootreis per ss Nickerie naar Amsterdam. De boot komt aan in Amsterdam op 24 mei maar tegelijk is er een bericht in het Algemeen Handelsblad te Amsterdam dat "E. Arlaud weduwe van R. Ferral, vrouw 77 jaar" is overleden. Zij is dus op de boot overleden. Richard gaat 1,5 jaar later in december 1930 weer terug naar Suriname. Hij overlijdt op 28 oktober 1936 in Paramaribo oud 81 jaar. Zijn overlijdensadvertentie is dan van de Weduwe R. O' Ferrall-Schipper en er worden geen kinderen in genoemd. De stiefdochter Henriette Elisabeth Gonggrijp trouwde in 1895 met Diederik Schippers. Ze hebben bezigheden gehad in Paramaribo, Nickerie en Curaçao en Henriëtte woont in 1939 als weduwe in 's-Gravenhage. Haar dochter Hermine woont dan in Leiden met haar gezin Korten, haar zoon Henri in Nederlands-Indië, hij is dus de ononderbroken lijn, de anderen zijn de stippellijn, en haar zoon Bert Diederik Schippers is gezagvoerder op de scheepvaart die zich later met gezin in Australië vestigt.

 

Waar is Hendrik Cornelis Rinia Gonggrijp gebleven?

Waar Hendrik Cornelis Rinia Gonggrijp is gebleven blijkt uit het Samaranghsch handels- en advertentieblad De Locomotief van 2 januari 1877. Hij staat daar op de passagierslijst van de ss Prins van Oranje van Amsterdam naar Nederlands-Indië waar hij de rest van zijn leven blijft. Met zijn tweede echtgenote Louise Marie Antoinette van Haastert, waar hij pas op 13 september 1888 mee trouwt, en derde echtgenote Melanie Damwijk heeft hij in Nederlands-Indië nog negen andere kinderen. In 1894 is hij eigenaar en administrateur van een cultuurmaatschappij Soekadjadi te Tasikmalaija. Dat ligt in West-Java, een kleine 150km oostelijk van Batavia. Hij verbouwt er kina, een boomsoort uit Peru die vanaf 1854 in Nederlands-Indië werd geïntroduceerd. De bast van de boom in water getrokken gaf aan het water een heilzame werking tegen tropische koortsen en malaria koortsen. Later bleek dat het kinine was. De onderneming wordt in 1894 verwoest door de uitbarsting van de vulkaan Galoengoeng. In 1901 is hij administrateur en ondernemer te Blitar voor de verbouw van koffie. Dat ligt op Java 400km verder naar het oosten. Die wordt verwoest door de uitbarsting van de vulkaan Kloet. Op 18 september 1924, als hij 77 jaar is, verongelukt nog zijn 32-jarige zoon Sjoerd Gonggrijp doordat die in een ravijn stort bij een onderzoek ter plekke om hogerop de rivier een bamboeleiding voor koelwater te verplaatsen. Dat was op zijn kina onderneming in Manonjaija, dat is weer terug vlak onder Tasikmalaija. Het is zijn andere zoon Eric Gonggrijp van der Sanden die het werk in Indonesië verder voortzet. Zij worden vervolgens onder de oorlog allemaal geïnterrneerd in het Jappenkamp voorzover in den lande. Ronald, een zoon van Eric, heeft zich genaturaliseerd tot staatsburger van de VS en woont sedert 1972 in Californië en veranderde zijn naam van Robert Gonggrijp van der Sanden naar Robert Eric Gonggrijp.

 

Drie generaties boelgoedroeper in Harlingen.

De Gonggrijpen komen van Harlingen in Friesland. De naam is afgeleid van Goingarijp, Goai een persoonsnaam, gea een dorp en rijp een strook. Goingarijp ligt aan het eind van ontginningsstroken die hun oorsprong hebben in het dorp Goënga. Goingarijp is nu een dorp in de gemeente Skarsterlân in Friesland. Het ligt halverwege tussen Sneek en Harlingen. Voor de gemeentelijke herindeling in 1984 maakte Goingarijp deel uit van de gemeente Doniawerstal. Hun opa Rinija Justus Gonggrijp was in Harlingen geboren, maar had zijn werkzame leven in Culemborg en Wageningen als Rijks Commies-Roeijer 1e klasse bij de Belastingen en later Commies 2e klasse. Met zijn tweede vrouw woont hij meer dan 25 jaar in Hoeven in Noord-Brabant, een kleine plaats tussen Roosendaal en Etten-Leur. In Harlingen zat de voorouderlijke familie, vischkeurmeester, meesterbakker, boelgoedroeper (vader, zoon en kleinzoon!) en onderwijzer. In Sneek zat een zijtak met een houtzaagmolen aan de Geeuw, zijnde een stellingmolen met een achtkantige bovenkruier met buitenkruier, gebouwd tussen 1750-1792, later vervangen door een stoomzagerij waarbij de romp van de molen in 1892 is verplaatst naar Franeker. Op die houtzagerij hebben vijf generaties lang Teetse Tjallings, Tjalling Teetses en Tjalling Tjallings Gonggrijp gezeten, waaronder ook een glasschilder en burgemeester en Lid van de Provinciale Staten van Friesland. Als van de 2e generatie Tjalling Teetses Gonggrijp vroeg overlijdt is het zijn broer, zich Jan ten Cate van Gonggrijp noemende, die de houtzaagmolen voortzet voor de minderjarige kinderen van Tjalling, welk bedrijf hij later aan hun overdraagt. De moeder was Minke Jans ten Cate. De naam "ten Cate van" is dan niet gevoegd bij de achternaam, maar vormt onderdeel van de voornaam, waardoor er geen toestemming voor gevraagd hoefde te worden.

 

Maleis en Soendanees doceren aan aanstaande ingenieurs.

De drie broers op de foto zijn dus in Nederlands-Indië geboren en in Vrijenban naast Delft opgegroeide nazaten van Harlingse Friesen. Zonen van een Nederlands Hervormde zendelings-leraar Justus Rinia Petrus François Gonggrijp die in Nederlands-Indië ook leerboeken van de bijbelse geschiedenis vertaalde in het Maleis en Soendanees en vervolgens meer dan 25 jaar als talenprofessor in het Maleis en later ook Soendanees doceert aan de Indisch Instelling in Delft. Bij zijn 25-jarig jubileum als professor in Delft zijn zijn oud-leerlingen in Nederlands-Indië hem nog niet vergeten. Zij geven hem een "prachtig in eenvoudigen stijl bewerkte notenhouten bureau-ministre met stoel en een kunstig gesneden ivoren vouwbeen en dito penhouder, tesamen met een album met de protretten van de schenkers" als cadeau. Tegelijk wordt hij bij die gelegenheid ook koninklijk onderscheiden tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Die gebeurtenis laat hij ook adverteren in de Leeuwarder courant, in welke provincie hij anders nooit adverteerde, maar waaruit dus nog zijn binding blijkt met de familie in Friesland. Niet lang daarna, op 21 februari 1890, is hij in Suriname de eerste aanvrager van de hierboven al genoemde concessie om in de Sarakreek, de Suriname- en Saramaccarivier met een stoommachine onderzoek te doen in de beddingen naar de aanwezigheid van goud en andere mineralen. Aan de Sarakreek, en dan voorbij de zuidelijkste grote stroomversnelling, is het eindpunt Dam van de 183km lange Lawa-spoorlijn vanuit Paramaribo. De "goudkoorts" wordt vanaf 1900 goed gevoed met de vondst door derden van een klomp goud van 5836 gram. Op 3 november 1909 is hij overleden te Wiesbaden oud 82 jaar, toen een internationaal bekend kuuroord in Duitsland.

 

Nusantara, wat een professor aan spulletjes nalaat.

De Indische Instelling in Delft lag aan de Oude Delft 69, twee panden rechts van de studentenvereniging Sanctus Virgilius. Eerst was er van 1842-1864 de Koninklijke Academie om ambtenaren op te leiden voor de Indische dienst. Als de regering de academie in 1864 opheft neemt de gemeente Delft het initiatief om de Indische Dienst voor de Taal-, Land- en Volkenkunde op te richten. Er bestond een nauwe band met de Polytechnische School (voorloper van de huidige Technische Universiteit) omdat ruim eenderde van de technische ingenieurs in Nederlands-Indië ging werken. Op de Indische Instelling konden zij de taal leren en kennis maken met de Indische bevolking en de Indische cultuur. In 1901 wordt de Indische Instelling opgeheven. Alleen op de Universiteit in Leiden wordt daarna nog Indisch onderwijs gegeven. Het gebouw aan de Oude Delft 69 is nu een appartementencomplex waarbij de originele voorgevel is behouden met de gravure "Indische Instelling" in de kroon van de gevel. De etnografische verzameling van de Indische Instelling, om het onderwijs zo aanschouwelijk mogeljk te maken, werd ondergebracht in het dan opgerichte Volkenkundig Museum Nusantara. Dat werd gehuisvest aan bijna het andere uiteinde van de Oude Delft in het gebouw aan het St. Agathaplein in Delft. Dat zal de lezer van dit stuk niet veel zeggen, behalve dat het dus aan het Prinsenhof ligt in Delft waar in 1584 Prins Willem van Oranje is vermoord. Dat is ook tegenover de Oude Kerk in Delft waar 's lands roemrijkste onderdanen liggen begraven, zoals Anthonie van Leeuwenhoek, Johannes Vermeer en de bij iedereen bekende Piet Hein. In 1989 wordt een gedenkboek uitgegeven: "De Indische Instelling in Delft" ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de collectie van het Volkenkundig Museum Nusantara. Het Museum Nusantara is sinds 6 januari 2013 gesloten.

 

De Javanen op Clevia zijn er nog steeds.

Als na de oorlog de Gonggrijpen de plantages Clevia en Morgenstond weer verlaten, is plantage Clevia in kleine percelen verdeeld onder de Javaanse arbeidersgezinnen. Tot heden wonen die gezinnen en hun nakomelingen nog altijd op die oude plantage Clevia. Hoeveel moeite de Gonggrijpen niet gedaan hebben om de Javanen daar te krijgen, maar door het ontbreken van enige handel met Nederland in de Eerste en Tweede Wereldoorlog zijn veel plantagebedrijven geëindigd, en waren de Javanen al na één generatie daarvoor niet meer nodig. Enkele Javaanse families van Clevia zijn bijvoorbeeld, Wagimin, Soekimin, Djawikromo, Slamat, enz. en enkele van Morgenstond die daar zijn gaan wonen, Kastami, Tota, Ramoutar, Kromo, Dalman, Zaïmin, Elias. Wat eerst een agrarisch gebied was met allemaal kleine kostgrondjes is langzaam verstedelijkt tot een stadswijk wat het nu is. Behalve Javanen op Clevia, de Gonggrijpstraat en een blauwe gedenksteen van Justus Wilhelm Gonggrijp uit 2008 opgericht door de studenten van de Anton de Kom Universiteit is er in Suriname niets meer dat wijst op de aanwezigheid van de Gonggrijpen in Suriname. Behalve nog één ding, het grafje van Henri Gonggrijp naast het graf van zijn opa Jacob Isaäc Spiering op de begraafplaats Nieuwe Oranjetuin aan de Gravenstraat (nu Henck Arronstraat). Deze Henri Gonggrijp is het vroegoverleden zoontje van Stephanus Gonggrijp en Louise Spiering, het broertje van de houtvester Louis Gonggrijp hiervoor genoemd. Het grafje was in 2003 nog aanwezig, net als het graf van de opa Spiering, in 1897 gemetseld met de donkerrode bakstenen van de steenfabriek van de Gebrs. Gonggrijp op Clevia. Hier cityofparamaribo.nl/read/oranjetuin zijn enkele foto's van grafzerken op begraafplaats. Andere grafzerken gemetseld na 1884 zijn waarschijnlijk van de bakstenen van de steenfabriek van de Gebrs. Gonggrijp.

 

Kijk, hier is Clevia, 210 hektare groot.

Clevia is hier goo.gl/maps/xGg7o . Alles tussen Kasoedjieweg en de schuine lijn in het verlengde van de Pomerakstraat. De dam in de trens precies bij de aansluiting van de Djamoestraat met de Anton Dragtenweg, daar was de houten brug naar het plantagehuis van Clevia. De Djamoestraat loopt precies over waar het huis heeft gestaan. Dat stukje Djamoestraat, van de Anton Dragtenweg tot de Guavestraat, was er oorspronkelijk niet. Dat is pas na 1950 doorgetrokken. Bij dat dammetje, op het voorland aan de rivier, heeft de steenfabriek gestaan. Daar is nu niets meer van over.

 

Ir. Jan Koenraadt

jankoenraadt@gmail.com

 

30,497 views
1 fave
0 comments
Uploaded on September 23, 2013
Taken on September 23, 2013